Europees Hof van Justitie legt bom(metje) onder de Belgische havenwet

Europees Hof van Justitie legt bom(metje) onder de Belgische havenwet

Al jaren vormt de Wet op de havenarbeid, ook bekend als de Wet-Major, een doorn in het oog van velen werkzaam in de havensector. De wet werd in 1972 ingevoerd en voorziet dat havenarbeid enkel mag worden uitgevoerd door “erkende havenarbeiders”. Deze regel heeft als voornaamste doelstelling het waarborgen van de veiligheid in de havengebieden en het voorkomen van arbeidsongevallen. Die erkenning gebeurt door een paritair samengestelde commissie van werkgevers en vakbonden.

Al decennialang bestaat er ongenoegen over het gebrek aan flexibiliteit en de discriminatie van de niet-erkende havenarbeiders. Zo is het bijvoorbeeld voor niet-Belgische ondernemingen moeilijker is om zich in de Belgische havens te vestigen of hier diensten aan te bieden, gezien ze hun eigen personeel niet zomaar kunnen inzetten, noch gebruik kunnen maken van niet-erkende arbeiders. Ook zijn de havenarbeiders die niet zijn toegelaten tot de “pool” van havenarbeiders slechts erkend voor de duur van hun arbeidsovereenkomst terwijl arbeiders die wel worden opgenomen erkend worden voor een onbepaalde duur.

Enkele havenbedrijven, waaronder het Antwerpse Katoen Natie, zijn daarom in 2016 naar de Raad van State en het Grondwettelijk Hof getrokken om de Wet Major (en haar uitvoeringsbesluiten) aan te vechten. Deze Belgische rechtscolleges raadpleegden op hun beurt het Europese Hof van Justitie met het verzoek zich uit te spreken over de verenigbaarheid van de Belgische Havenwet met het Unierecht. Maar liefst 7 prejudiciële vragen werden voorgelegd.

Op 11 februari 2021 sprak het Hof van Justitie zich in een langverwacht arrest gedeeltelijk uit en oordeelde dat een deel van de Wet Major wel degelijk in strijd is met verschillende Europese vrijheden. Hoewel het Hof het bestaan van een erkenningssysteem voor het uitvoeren van havenactiviteiten aanvaardt in het licht van het garanderen van de veiligheid in de havens en het voorkomen van arbeidsongevallen, veroordeelt het wel de manier waarop de erkenning in België kan worden verkregen.

Zo heeft het Hof o.a. kritiek op het feit dat de erkenning slechts kan worden verstrekt door één bepaald orgaan – een paritair samengestelde commissie van werkgevers en vakbonden – dat niet gebonden is door een maximale of redelijke termijn om een beslissing te nemen, wat volgens het Hof het risico op willekeurige weigeringen vergroot. Bovendien stelt het Hof zich ook vragen bij de objectiviteit van de leden van de paritaire commissie, die allen zijn aangeduid uit door werkgevers- en werknemersorganisaties.

Daarnaast is het Hof van oordeel dat de beperking van het aantal havenarbeiders dat deel mag uitmaken van de “pool” van arbeiders – die ook enkel kunnen worden aangeduid door de paritaire commissie – compleet onevenredig is aan de verwezenlijking van het veiligheidsdoel. De regeling veroorzaakt namelijk een verschil in behandeling tussen enerzijds de arbeiders die niet zijn opgenomen in de pool en telkens een nieuwe erkenning moeten aanvragen na afloop van hun arbeidsovereenkomst en anderzijds de wél in de pool opgenomen arbeiders die een erkenning voor onbepaalde duur genieten.

Dit verschil in behandeling kan dan ook niet gerechtvaardigd worden in het licht van de boogde veiligheidsdoelstellingen, net zo min als het feit dat de regeling het voor buitenlandse ondernemingen moeilijker maakt zich hier te vestigen.

Het Unierecht verzet zich niet tegen een nationale regeling waarbij havenarbeid uitsluitend mag worden verricht door erkende havenarbeiders, maar enkel op voorwaarde dat de erkenningsvoorwaarden (in België zijn dat o.a. medische geschiktheid, slagen voor een eindproef, …) gebaseerd zijn op objectieve, niet-discriminerende en transparante criteria zodat havenarbeiders uit andere lidstaten kunnen aantonen dat zij een gelijkwaardige eisen voldoen, aldus het Europees Hof.

Verschillende uitvoeringsmodaliteiten van de Wet Major maken volgens het Hof dan ook een te verregaande en niet te rechtvaardigen beperking uit van het Unierecht, met name van de vrijheid van vestiging (art. 49 VWEU), het vrij verkeer van werknemers (art. 45 VWEU) en het vrij verkeer van diensten (art. 56 VWEU).

***

De noodzakelijkheid en evenredigheid van de beperkingen op deze Europese vrijheden zal nu, in het licht van deze rechtspraak van het Europees Hof, moeten worden beoordeeld door ons Belgisch Grondwettelijk Hof en de Raad van State.

Het is afwachten in welke mate het huidig systeem nog zal standhouden, maar dat de regeling moet aangepast worden, lijkt onvermijdelijk. De precieze gevolgen voor de havensector zullen zonder twijfel aanzienlijk zijn.