Het Grondwettelijk Hof smoort bedrog in het kader van een arbitrageprocedure in de kiem

Het Grondwettelijk Hof smoort bedrog in het kader van een arbitrageprocedure in de kiem

Voor arbitrageprocedures geldt een strengere termijn om op te komen tegen beslissingen die zijn verkregen door middel van bedrog dan de termijn die daarvoor geldt in gerechtelijke procedures. Dat verschil is bij arrest van 28 januari 2021 door het Grondwettelijk Hof ongrondwettig verklaard.

Beslissingen van een rechter die niet meer met gewone rechtsmiddelen kunnen worden aangevochten, zijn zo goed als definitief. Dat wordt aangeduid met de term “kracht van gewijsde”. Helemaal definitief is een in kracht van gewijsde getreden beslissing evenwel nooit, want in een beperkt aantal gevallen blijft herroeping mogelijk, bijvoorbeeld wanneer er sprake is van bedrog. In dat geval kan het slachtoffer van het bedrog binnen de zes maanden na de ontdekking ervan een verzoek tot herroeping van gewijsde indienen.

Wat indien de partijen hun geschil via een arbitrageprocedure hebben laten beslechten en ontdekken dat de uitspraak door middel van bedrog is verkregen? Welnu, in dat geval staat een soortgelijk uitzonderlijk rechtsmiddel open, met name de vordering tot vernietiging van de arbitrale uitspraak. Evenwel, daar waar bij een gerechtelijke procedure het vermeende slachtoffer van het bedrog de herroeping van gewijsde kan vorderen binnen de zes maanden na de ontdekking van het bedrog, moet de vordering tot vernietiging van de arbitrale uitspraak worden ingesteld binnen de drie maanden na de mededeling van de arbitrale uitspraak. Dat onderscheid gaf aanleiding tot het arrest van het Grondwettelijk Hof van 28 januari 2021.

Het Hof overweegt in dat arrest dat, door te kiezen voor arbitrage, de partijen aanvaarden om hun geschil te onderwerpen aan een snelle procedure met specifieke procedureregels, met volle kennis van de voor- en nadelen die uit die keuze resulteren. Hieruit vloeit evenwel niet voort dat de partijen, door te kiezen voor arbitrage, afstand hebben gedaan van alle waarborgen betreffende het recht op toegang tot de rechter en het recht op een eerlijk proces. De beperking van de rechten van de partijen moet een gewettigd doel nastreven en redelijk evenredig zijn met dat doel.

Het is net daar dat het schoentje knelt volgens het Grondwettelijk Hof. Met name de vaststelling dat de termijn van drie maanden aanvangt bij de mededeling van de arbitrale uitspraak, waardoor er tegen een later ontdekt bedrog dus in geen enkele hypothese nog zou kunnen worden gereageerd, leidt volgens het Hof tot een onevenredige beperking van de rechten van het slachtoffer van het bedrog. Het onderscheid met het aanvangspunt van de termijn voor de herroeping van gewijsde van een gerechtelijke beslissing, is volgens het Hof niet verantwoord.

Met deze terechte uitspraak benadrukt het Grondwettelijk Hof de specifieke eigenschappen van arbitrage en waakt het tegelijkertijd over de rechten van partijen. In afwachting van het optreden van de wetgever, is het thans aan de rechtbanken om te oordelen of een vordering tot vernietiging van een arbitrale uitspraak, ingesteld na de termijn van drie maanden, niettemin toelaatbaar wordt geacht.  Daarvoor is alleszins vereist dat de vordering binnen een, door de rechter te beoordelen, redelijke termijn na de ontdekking van het bedrog wordt ingesteld.