Index I 2021

Index I 2021

Bij overheidsopdrachten is onder het huidige regelgevend kader een prijsherziening – waarbij de offerteprijzen lopende de opdracht worden aangepast in het licht van bepaalde economische en sociale omstandigheden – in principe verplicht. Bij private overeenkomsten dient het recht op prijsherziening bedongen te worden. Welke precieze parameters voor de hoofdcomponenten van de kostprijs in een prijsherzieningsformule gebruikt dienen worden, is noch bij private-, noch bij publieke opdrachten wettelijk geregeld. In de praktijk wordt voor de meeste prijsherzieningsformules doorgaans gebruik gemaakt van de prijsherzieningsindexen die de FOD Economie te beschikking stelt, zijnde de ‘S-index’ (lonen en sociale lasten) en de ‘I-index’ (materialen en grondstoffen).

De I-index bestaat reeds sinds 1955. Op maandelijkse basis publiceert de FOD Economie een nieuwe I-waarde, aan de hand van een welbepaalde weging van een geselecteerde groep van ‘O.W.-waarden’ (producten destijds door het ministerie van Openbare Werken uit de ‘Mercuriale’, een lijst met de prijsontwikkeling van een 26-tal categorieën bouwmaterialen, aangeduid als referentie voor openbare werken), die een prijsnotering zouden moeten vormen van de klassiek meest gebruikte materialen en grondstoffen.

De laatste jaren kwam er vanuit verschillende hoeken veel kritiek op de samenstelling en totstandkoming van de I-index. Een werf anno 2021 verschilt wezenlijk van een werf anno 1955 en de klassieke lijst van bouwmaterialen zou dan ook onvoldoende rekening houden met de bouwmaterialen die thans werkelijk op hedendaagse werven gebruikt worden. Hieruit vloeide voort dat bij het gebruik van de I-index in een prijsherzieningsformule de prijzen werden aangepast op basis van prijsniveaus die voor de opdracht in kwestie niet altijd even relevant waren, hetgeen moeilijk te verzoenen is met de wettelijke verplichting dat een prijsherziening dient te steunen op objectieve en controleerbare parameters om de werkelijke kostprijsstructuur te weerspiegelen.

N.a.v. de coronacrisis en de zware daling die de I-index in het voorjaar van 2020 daardoor kende (met stevige negatieve prijsherzieningen op vele werven tot gevolg), werden de pijnpunten van de I-index voor vele ondernemingen een onprettig tastbare realiteit. De overheid is hier niet blind voor gebleken: in de loop van 2020 is een werkgroep opgezet bestaande uit vertegenwoordigers van de Confederatie Bouw, Bouwunie, Agoria, Fediex, openbare besturen (als openbare aannemers) en de FOD Economie met als opzet om samen de I-index te moderniseren naar een eenvoudig, controleerbaar systeem dat de reële evolutie van de kosten van bouwmaterialen zou weerspiegelen.

Dit heeft geresulteerd in de zogenaamde ‘Index I 2021’, op 19 februari 2021 gepubliceerd door de FOD Economie op haar website, die op termijn de ‘oude’ I-index zal vervangen:

  • De ‘Index I 2021’ is opgebouwd uit 60 ‘getuigen’ (materialen en grondstoffen), onderverdeeld in 11 groepen, elks met een eigen procentuele weging. De korf werd samengesteld op basis van de lijst van materialen die de Centrale Raad van de Economie in zijn tweede advies van 14 december 2009 heeft opgesteld en de korven voor Nederlandse CBS-indexen (de ‘Inputprijsindex bouwkosten voor Nieuwbouwwoningen’ en de ‘Inputprijsindex (2015=100) voor Grond-, Weg- en Waterbouwprojecten’). In tegenstelling tot de ‘oude’ I-index houdt deze ‘Index I 2021’ geen rekening met de evolutie van de prijzen van aardolieproducten (benzine, diesel en bitumen).
  • Om de prijsevolutie van de verschillende getuigen op te volgen, worden de producentenprijsindexcijfers op de binnenlandse markt gebruikt (maandelijks gepubliceerd door STATBEL). Voor de ‘cement’-indicator is in een uitzondering voorzien en vloeit de prijsevolutie voort uit de gecertificeerde enquête van de Vlaamse Wegenfederatie (Vlaamse Wegenbouwers).
  • Het gewicht van elke productgroep wordt bepaald door het relatieve gewicht in de aankopen door de bouwsector volgens de Aanbod- en Gebruikstabellen van de Nationale Bank van België (thans op basis gegevens 2016). Vervolgens is het gewicht van de groep verdeeld over de verschillende getuigen op basis van hun relatieve belang in termen van binnenlandse productiewaarde, op basis van de resultaten van de PRODCOM-enquête gepubliceerd door STATBEL.

De ‘oude’ I-index wordt nog gepubliceerd tot en met december 2022.

Aangezien de ‘Index I 2021’ maar voorhanden is vanaf de maand november 2020, is dit vooral een aangewezen tool voor nieuwe of zeer recente opdrachten. De ‘Index I 2021’ wordt niet automatisch van toepassing op lopende opdrachten. Aangezien de samenstelling van de ‘Index I 2021’ transparant is, zou deze wel zonder de FOD Economie door contractpartijen berekend kunnen worden voor oudere referentieperiodes.

Voor meer informatie over dit onderwerp kunt u contact opnemen met Kris Lemmens en Carlo Cardone.