Naar een meer oplossingsgerichte bestuursrechtspraak?

Naar een meer oplossingsgerichte bestuursrechtspraak?

Vlaamse Regering hecht principiële goedkeuring aan het voorontwerp van decreet tot wijziging van het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges tot optimalisatie van de procedures

Projectontwikkelaars, burgers en overheden worden vandaag al te vaak geconfronteerd met lange – soms eindeloze – vergunningsprocedures. In het Vlaams Regeerakkoord van 2019-2024 werd daarom een verdere professionalisering van de Vlaamse bestuursrechtspraak aangekondigd m.o.o. geschillenbeslechting binnen een redelijke termijn, om zo de bestuursrechtspraak af te stemmen op   de   noden   van   een   gunstig investeringsklimaat. Met de principiële goedkeuring van het voorontwerp van decreet tot wijziging van het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges tot optimalisatie van de procedures is daarvoor alvast de eerste stap gezet.

Een overzicht van de aanpassingen:

1. Erkenning van de vergunninghouder en de persoon die de melding verricht als volwaardige procespartij

Wanneer een omgevingsvergunning of aktename wordt bestreden door een beroep ingesteld door derden, moeten vandaag de vergunninghouder of persoon die een melding heeft verricht formeel vragen om tussen te komen in de procedure bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen. Nochtans hebben deze partijen – meer dan de verwerende partij – het grootste belang  bij  de vergunning of aktename van de melding.

Het voorontwerp van decreet voorziet nu dat de vergunninghouder of persoon die een melding verricht van rechtswege (dus automatisch) wordt erkend als formele procespartij. Hij of zij moet niet meer vragen om formeel tussen te komen; wordt samen met de verwerende partij aangeschreven; en krijgt samen en gelijktijdig met de verwerende partij een termijn om een repliek te laten gelden. Tegelijk worden de vergunninghouder en de persoon die de melding heeft verricht vrijgesteld van het rolrecht. Het rolrecht voor andere tussenkomende partijen, zoals omwonenden, wordt wel behouden.

2. Verstrenging van het belang bij het middel

Niet  iedere  schending  van  een  rechtsregel vormt automatisch  ook  een  aantasting  van  de  rechtspositie van de verzoeker. Het DBRC-decreet biedt de bestuursrechter nu reeds instrumenten om een  geschil  definitief  te  beslechten  in  functie  van de  concrete  belangen  van  de beroepsindieners maar nog steeds te vaak worden vergunningen vernietigd op basis van een middel zonder dat de rechten van de beroepsindiener erdoor worden geschonden.

In een poging om het model  van  bestuursrechtspraak  nog meer te doen evolueren in  de  richting  van  een  op geschillenbeslechting gericht procesmodel dat uitgaat van de concrete positie van de  verzoeker beoogt het voorontwerp van decreet het belang van het middel te verduidelijken en herformuleren   rekening  houdende de  rechtsbescherming  die  geënt  is  op  de concrete situatie van de verzoeker en dit met inachtneming van de grondrechten en het Europees recht.

Het voorontwerp van decreet regelt drie van elkaar te onderscheiden (en dus niet-cumulatieve) gevallen waarin een aangevoerde onwettigheid niet tot een vernietiging aanleiding kan geven:

  • Vereiste van belangenschade: de schending van een norm of algemeen rechtsbeginsel kan niet worden ingeroepen wanneer de partij die de schending aanvoert niet wordt benadeeld door de ingeroepen onwettigheid.
  • Relativiteitseis: de schending van een norm of algemeen rechtsbeginsel kan evenmin worden ingeroepen wanneer de ingeroepen onwettigheid kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.
  • Attentieplicht: tot slot kan de schending van een norm of algemeen rechtsbeginsel niet worden ingeroepen, wanneer de partij nagelaten heeft de onwettigheid aan te voeren op het nuttige  ogenblik waarop het kon worden aangevoerd tijdens de bestuurlijke procedure

Voor verenigingen die zich op een collectief belang beroepen om onwettigheden aan te voeren die  nadeel  berokkenen aan het collectief belang dat ze nastreven, dient de vereiste van belangschade en de relativiteitseis beoordeeld te worden in het licht van de collectieve belangen die zij beogen te beschermen.

De mogelijkheid van de Raad voor Vergunningsbetwistingen om ambtshalve middelen van openbare orde op te werpen blijft behouden. Ook aan het principe dat de verzoekende partij geen belang moet  aantonen bij de schending van regels die de openbare orde aanbelangen, wordt geen afbreuk gedaan.

3. Bemiddeling wordt gestimuleerd

De Vlaamse Regering meent dat bemiddeling kan leiden tot een duurzame oplossing van het geschil en acht het daarom wenselijk om het gebruik van deze procedure te blijven stimuleren. Daartoe wordt  de  toepasselijke procedure vereenvoudigd. De vereenvoudiging is drieledig:

  • Voor de opstart en einde van de bemiddeling evenals voor de verlenging van de termijn is niet langer een tussenarrest vereist. Het volstaat dat de kamervoorzitter dit in een proces-verbaal laat akteren.
  • Om  tegemoet te  komen aan  de uitbreiding  van  de  bevoegdheden van de RvVb en de toenemende complexiteit van dossiers wordt voortaan gevraagd dat de bemiddelaar moet  voldoen aan de vereiste dat hij een grondige kennis heeft van, en nuttige ervaring in, het betreffende domein dat het voorwerp uitmaakt van de betwisting.
  • Tot slot wordt verduidelijkt dat een eenzijdig verzoek tot bemiddeling de proceduretermijnen niet schorst. Daartoe wordt in het decreet ingeschreven dat proceduretermijnen enkel worden geschorst van zodra een gezamenlijk ondertekend verzoek tot bemiddeling voorligt.

4. Uitbreiding van de substitutiebevoegdheid

In de praktijk komt het voor dat de projectontwikkelaars zich geconfronteerd zien met carrousel-scenario’s, waarbij vernietigingsarresten en herstelbeslissingen elkaar eindeloos opvolgen, zonder een effectieve geschillenbeslechting.

Vandaag kan de RvVb zijn substitutiebevoegdheid om zich in de plaats te stellen van de vergunningverlener om een vergunning definitief te weigeren, enkel aanwenden in geval van een zuiver gebonden bevoegdheid. In gevallen waarin de vergunningverlenende overheid initieel beschikt over een discretionaire (dus ruimere) bevoegdheid, maar deze bevoegdheid in de concrete omstandigheden van het dossier redelijkerwijze gebonden blijkt te zijn, heeft de Raad deze substitutiebevoegdheid niet, hetgeen kan leiden tot carrousel-scenario’s waarbij vernietigingsarresten en herstelbeslissingen elkaar  opvolgen zonder dat zich daarbij een definitieve geschilbeslechting aan de horizon aftekent. Met het voorontwerp van decreet wordt de substitutiebevoegdheid van de RvVb daarom uitgebreid naar dergelijke situaties waarbij de oorspronkelijk discretionaire bevoegdheid door de concrete omstandigheden is verdampt/versmald, opgebruikt, en waarbij dus sprake is van een a posteriori oftewel naderhand gebonden bevoegdheid.

5. Vereenvoudiging voor andere tussenkomende partijen

Het verzoekschrift tot tussenkomst wordt geschrapt. Voortaan zullen tussenkomende partijen, andere dan de vergunninghouder, hun verzoek tot tussenkomst niet langer moeten uiten in een apart verzoekschrift, maar aan de hand van de schriftelijke uiteenzetting.

6. Vervroeging van het betalen van het rolrecht

In een poging om de procedures in te korten wordt een systeem uitgewerkt waarbij de verzoekende en tussenkomende partijen verplicht worden om ten laatste gelijktijdig met het indienen van het verzoekschrift, dan wel van de tussenkomst het rolrecht te voldoen. De partijen beschikken wel over  de  mogelijkheid om het gebrek aan betaling te remediëren. De nieuwe betalingstermijn wordt vastgelegd  op acht dagen. Het verzoekschrift of de tussenkomst van de verzoekende of tussenkomende partij die toch zou nalaten om het rolrecht te betalen, is onontvankelijk.

7. Rechtsplegingsvergoeding

Om de rechtsplegingsvergoeding ten volle te laten overeenstemmen met haar achterliggende doelstelling, m.n. tegemoetkomen aan een deel van het ereloon van de advocaat dat verschuldigd is voor bepaalde proceshandelingen, wordt voorgesteld om de rechtsplegingsvergoeding niet langer te beperken tot de partij die ‘ten gronde’ in het gelijk wordt gesteld. De rechtsplegingsvergoeding wordt voortaan berekend voor elke afzonderlijke vordering zodat het voortaan ook mogelijk zal zijn om al in de uitspraak over de schorsingsprocedure een rechtsplegingsvergoeding toe te kennen. Wanneer tijdens de schorsingsprocedure nog geen uitspraak is gedaan over de rechtsplegingsvergoeding, kan die ook nog in vernietigingsprocedure worden gevraagd en toegekend.

***

Het voorontwerp van decreet wordt nu voor advies voorgelegd aan de Raad van State, die binnen een termijn van dertig dagen zijn advies moet verlenen. Het valt af te wachten hoe de Raad van State deze nieuwe voorgestelde regelgeving zal beoordelen, in het bijzonder t.a.v. van het recht op toegang tot de rechter (bijvoorbeeld voor wat betreft de attentieplicht bij het verstrengde belang bij het middel) en t.a.v. de scheiding der machten (bijvoorbeeld voor wat betreft de uitgebreide substitutiebevoegdheid van de Raad voor Vergunningsbetwistingen). Nadien zal de Vlaamse Regering het voorontwerp van decreet herwerken tot een ontwerpdecreet waarna zij haar definitieve goedkeuring hieraan zal geven en het ontwerpdecreet zal indienen in het Vlaams Parlement voor de parlementaire behandeling.

Wij volgen dit verder voor u op.

Voor meer informatie hierover kan u terecht bij Céline Bimbenet, Elisa Fernandez (de auteurs) of Kristof Hectors (hoofd van de vakgroep omgevingsrecht).