Verjaring van buitencontractuele aansprakelijkheid. Weigering milieuvergunning: vermoede of daadwerkelijke kennis van de schade wegens onmogelijkheid om te exploiteren?

Verjaring van buitencontractuele aansprakelijkheid. Weigering milieuvergunning: vermoede of daadwerkelijke kennis van de schade wegens onmogelijkheid om te exploiteren?

Alle rechtsvorderingen tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid verjaren door verloop van vijf jaar vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon. Zij verjaren in ieder geval door verloop van twintig jaar vanaf de dag volgend op die waarop het feit waardoor de schade is veroorzaakt, zich heeft voorgedaan (artikel 2262bis § 1 Burgerlijk Wetboek).

Het Hof van Cassatie heeft in het verleden reeds geoordeeld dat de aanvangsdatum van de buitencontractuele verjaringstermijn de dag is waarop de benadeelde daadwerkelijk kennis krijgt van de schade (onder meer Cass. 5 december 2019, C.19.0245. N/ 1).

In een recent arrest van 28 mei 2020 (C.19.0210.N/2) past het Hof van Cassatie deze rechtspraak toe op de situatie van een zonevreemd bedrijf in Vilvoorde dat niet langer vergund was om te exploiteren. De exploitatie van het bedrijf was vergund voor een periode van 30 jaar door een uitbatingsvergunning uit 1968 . Na de verlening van deze uitbatingsvergunning werd het bedrijf echter zonevreemd door de inwerkingtreding van het gewestplan in 1977. Voor het verstrijken van de 30-jarige vergunningstermijn bekwam het bedrijf op 25 juni 1998 nog een tijdelijke milieuvergunning voor een periode van 3 jaar die het bedrijf in staat moest stellen om te herlokaliseren en intussentijd (tijdelijk) te blijven exploiteren. Opnieuw vroeg het bedrijf een milieuvergunning aan voor het verstrijken van de 3-jarige vergunningstermijn, maar deze vergunning werd definitief geweigerd op 15 maart 2001. Het bedrijf heeft deze vergunningsweigering aangevochten bij de Raad van State eerst met een (afgewezen) vordering tot schorsing en tevens met een annulatieberoep ingesteld op 23 mei 2001. Het annulatieberoep werd uiteindelijk verworpen in een arrest van 7 januari 2010. Op 10 december 2013 heeft het bedrijf de stad Vilvoorde gedagvaard op grond van artikel 1382 e.v. van het Burgerlijk Wetboek voor de vergoeding van geleden schade en om de opmaak van een ruimtelijk uitvoeringsplan af te dwingen.

Het hof van beroep Brussel wees de buitencontractuele vordering echter af als verjaard. Het hof overwoog daarbij dat aan het begrip ‘kennis van de schade’ een geobjectiveerde en normatieve betekenis dient te worden toegekend en het niet volstaat af te gaan op de subjectieve verklaringen van de benadeelde omdat hierdoor de benadeelde zelf zou kunnen beslissen wanneer een verjaringstermijn begint te lopen. Volgens het hof wist het bedrijf in kwestie, minstens behoorde het dit te weten, sedert de vergunningsweigering van 15 maart 2001 dat zij geen nieuwe (milieu)vergunningen meer kon krijgen voor de bestaande locatie. Nu het bedrijf op het ogenblik van de vergunningsweigering van 15 maart 2001 reeds wist dat zij haar bedrijfsactiviteiten op de bestaande locatie niet kon voortzetten en moest uitwijken naar een ander bedrijventerrein, had het volgens het hof op dat ogenblik kennis, of behoorde het dit te hebben, van de geleden schade die het bedrijf aanvoerde. Nu er reeds meer dan vijf jaren verstreken waren tussen de vergunningsweigering van 15 maart 2001 en het instellen van de buitencontractuele vordering, was deze vordering verjaard, aldus het hof.  

Het Hof van Cassatie volgt deze redenering van het hof van beroep Brussel niet. Het Hof preciseert dat de wetgever als aanvangspunt van de bedoelde verjaring de dag heeft beoogd waarop de benadeelde daadwerkelijk kennis heeft gekregen van de schade en van de identiteit van de persoon die aansprakelijk kan worden gesteld, en niet de dag waarop hij moet worden vermoed hiervan kennis te hebben gekregen. Het Hof stelt vervolgens vast dat de appelrechter de buitencontractuele aansprakelijkheidsvordering verjaard heeft verklaard, “zonder te preciseren of de eisers daadwerkelijke dan wel vermoede kennis van de schade hebben”, waardoor controle op de wettigheid van het arrest onmogelijk was.

Het Hof van Cassatie lijkt in het bijzonder problemen te hebben met de beoordeling van het hof van beroep Brussel dat het bedrijf kennis van de schade behoorde te hebben op basis van de vergunningsweigering van 15 maart 2001. Dit neigt eerder naar vermoede dan daadwerkelijke kennis.

Men kan zich bovendien afvragen waarom het bedrijf alsdan precies op datum van de vergunningsweigering van 15 maart 2001 kennis behoorde te hebben van de schade wegens de onmogelijkheid om verder te exploiteren op de bestaande locatie. Even goed zou gesteld kunnen worden dat het bedrijf reeds op datum van de afgifte van de tijdelijke milieuvergunning op 25 juni 1998 kennis behoorde te hebben van de onmogelijkheid om nog een nieuwe milieuvergunning te verkrijgen.

Het is ten slotte opvallend dat artikel 2244 § 1 van het Burgerlijk Wetboek niet aan bod komt in het cassatiearrest en evenmin voorwerp van debat lijkt te hebben uitgemaakt voor het hof van beroep. Artikel 2244 § 1 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat een beroep tot vernietiging bij de Raad van State de verjaring stuit van de vordering tot herstel van de schade veroorzaakt door de bestreden bestuurshandeling. Deze regeling, in werking getreden op 1 september 2008, is uitdrukkelijk van toepassing verklaard op annulatieberoepen die bij de Raad van State zijn ingediend vóór de inwerkingtreding ervan, voor zover de vordering tot schadevergoeding vóór de inwerkingtreding van deze wet niet verjaard is verklaard bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing waartegen geen cassatieberoep is ingediend (artikel 4 van de wet van 25 juli 2008 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek en de gecoördineerde wetten van 17 juli 1991 op de Rijkscomptabiliteit met het oog op het stuiten van de verjaring van de vordering tot schadevergoeding ten gevolge van een beroep tot vernietiging bij de Raad van State). Indien wordt aangenomen dat de schade veroorzaakt is door de vergunningsweigering van 15 maart 2001, lijkt de verjaring van de buitencontractuele aansprakelijkheidsvordering gestuit door het annulatieberoep van 23 mei 2001 tot het verwerpingsarrest van 7 januari 2010. Van een verjaring op de datum van de dagvaarding op 10 december 2013 lijkt dan geen sprake.

Voor vragen kan u terecht bij Kristof Hectors (hoofd vakgroep Omgevingsrecht) en Roel Meeus (counsel vakgroep Omgevingsrecht).