Bijkomende bescherming voor Nederlandse franchisenemers in de nieuwe Nederlandse Wet franchise

Bijkomende bescherming voor Nederlandse franchisenemers in de nieuwe Nederlandse Wet franchise

Op 30 juni 2020 is de nieuwe Nederlandse Wet franchise goedgekeurd. De Wet franchise last een nieuwe titel in in boek 7 van het Nederlands Burgerlijk Wetboek (bijzondere overeenkomsten). Al sedert 2014 gingen er in Nederland stemmen op voor een wetgevend ingrijpen in de franchisepraktijk. De memorie van toelichting vermeldt dat de zelfregulering, met name de “Code of Ethics for Franchising” van de Europese Franchise Federatie (EFF), in Nederland niet volstond. Voorts werd verwezen naar heel wat buitenlandse voorbeelden, waaronder Frankrijk (Loi Doubin) en België (Wet Precontractuele Informatie – thans Boek X, Titel 2 WER).

De Wet franchise schept een wetgevend kader voor franchising en is van dwingend recht: de franchiseovereenkomst kan er niet van afwijken in het nadeel van de franchisenemer. De wet zou zelfs van bijzonder dwingend recht zijn, wat betekent dat de franchisenemers die in Nederland gevestigd zijn, de bescherming van de wet kunnen inroepen zelfs indien voor een ander (bv. Belgisch) recht werd gekozen. Open vraag is wel in welke mate Nederlandse franchisenemer zich hierop nuttig kunnen beroepen indien een buitenlandse (bv. Belgische) rechtbank als exclusief bevoegd werd aangeduid.

Verwacht wordt dat de Wet franchise in werking treedt op 1 januari 2021, met een overgangsperiode van twee jaar voor de toepassing van bepaalde onderdelen op bestaande overeenkomsten.

Hieronder vermelden we de opvallendste bepalingen.

Precontractuele informatieplicht en standstill. Allereerst schept de Wet franchise een precontractuele informatieplicht en een standstillperiode van vier weken. Hiermee sluit Nederland zich aan bij een bredere internationale tendens en tal van buitenlandse voorbeelden. In België bestaat deze verplichting al langer voor “commerciële samenwerkingsovereenkomsten” (waarmee m.n. franchising wordt gevat). De sanctie bij niet-naleving is ook in Nederland de vernietigbaarheid, waarvoor een verjaringstermijn van drie jaar geldt (waar in België de termijn twee jaar bedraagt en deze termijn strikt genomen geen verjaringstermijn is). Opvallend verschil is nog dat de in Nederland opgelegde precontractuele informatieverplichting ruimer (minder gedetailleerd) werd geformuleerd én (deels) wederzijds is.

Ook tijdens de duur van de overeenkomst gelden er onder de Nederlandse Wet franchise informatieplichten, o.m. wanneer de franchisegever zelf of via derden een afgeleide formule zou opstarten.

Goodwill. Opvallender is dat de Nederlandse franchiseovereenkomsten een regeling m.b.t. goodwill zullen moeten bevatten. De overeenkomst moet bepalen:

  • op welke wijze wordt vastgesteld (i) of er goodwill aanwezig is in de onderneming van de franchisenemer, en indien er goodwill aanwezig is, (ii) welke omvang die heeft, en (iii) in welke mate die aan de franchisegever is toe te rekenen; en
  • op welke wijze goodwill die redelijkerwijs toe te rekenen is aan de franchisenemer, bij beëindiging van de franchiseovereenkomst aan de franchisenemer wordt vergoed, indien de franchisegever de onderneming overneemt van de franchisenemer bij beëindiging.

De memorie van toelichting verduidelijkt dat een vergoeding dus pas aan de orde kan zijn indien vastgesteld is dat (i) er goodwill aanwezig is, en (ii) dat (een deel van) die goodwill redelijkerwijs toe te rekenen is aan de (inspanningen van) de franchisenemer. Indien die twee voorwaarden voldaan zijn, kan de vergoeding voor goodwill evenwel volgens de memorie niet “nihil” zijn – al lezen we dat niet even uitdrukkelijk in de wet.

Expliciete bedoeling is volgens de memorie om de franchisenemer in een betere onderhandelingspositie te plaatsen bij het einde van de franchiseovereenkomst. Uit de praktijk zou immers blijken dat de franchisegevers het einde van de franchiseovereenkomst zouden aangrijpen om bepaalde voorwaarden te wijzigen ten nadele van de franchisenemer, of om aanvullende verplichtingen op te leggen, als voorwaarde voor de verlenging of hernieuwing van de franchiseovereenkomst. Omdat er op dat ogenblik al een zekere afhankelijkheid is ontstaan van de franchisenemer door op dat ogenblik reeds gemaakte investeringen, zou die zulke wijzigingen moeilijk kunnen weigeren op dat ogenblik. Deze regeling geldt dan ook enkel indien de onderneming wordt overgenomen door de franchisegever, om ze uit te baten als eigen filiaal of om ze over te dragen aan een andere franchisenemer.

De nieuwe regel lijkt wel erg verregaand en het is ook maar de vraag hoe in de praktijk kan worden vastgesteld of er goodwill aanwezig is en in hoeverre die “redelijkerwijs” kan worden toegerekend aan de franchisenemer en in hoeverre die het gevolg is van de het succes van de franchiseformule. Hierin is zonder twijfel wel enige marge te vinden waarop de contractsvrijheid kan inspelen.

Overigens bevat de Wet franchise tevens beperkingen op de geldigheid van concurrentiebedingen na het einde van de franchiseovereenkomst. De Wet herneemt hier echter de corresponderende bepalingen uit de Europese Groepsvrijstellingsverordening (330/2010). De praktische impact lijkt daardoor eerder beperkt.

Instemmingsrecht. Een andere opvallende bepaling is een inspraakrecht van de franchisenemers bij bepaalde wijzigingen van de franchiseformule. Hoewel ook in België de praktijk van al of niet geïnstitutionaliseerd overleg met de franchisenemers bestaat, is dit niet uitdrukkelijk wettelijk verankerd. 

De regeling is van toepassing indien de franchisegever een wijziging in de formule wil doorvoeren of zelf of via derden een afgeleide formule wenst te exploiteren (zonder dat de franchiseovereenkomst wordt gewijzigd) die een financiële impact heeft op de franchisenemer in de vorm van een investering, kost, bijkomende vergoeding of derving van omzet.

Indien die investering, kost, vergoeding of omzetderving een vooraf bepaalde drempelwaarde overstijgt, dan heeft de franchisegever de instemming nodig van ofwel de meerderheid van de in Nederland gevestigde franchisenemers, ofwel van de individuele franchisenemer die geraakt wordt door de beslissing. De drempelwaarde bepalen de partijen zelf, en indien er geen drempelwaarde bepaald is, is de instemming voor iedere wijziging nodig.

Bedoeling is een kader te bieden dat zowel flexibiliteit waarborgt (indien de impact onder de drempel blijft), als de franchisenemers beschermt (indien de impact boven de drempel uitstijgt). Voor zover de impact van een wijziging in de praktijk eenduidig kan worden bepaald, heeft deze regel alleszins het voordeel van de duidelijkheid.

 

***

 

De Nederlandse Wet franchise bevat ingrijpende nieuwe bepalingen. De bepalingen inzake goodwill, niet-concurrentie en overleg zijn bovendien retroactief van toepassing op bestaande franchiseovereenkomsten. Anderzijds is er in een relatief ruime overgangsperiode voorzien en laat het nieuwe wetgevende kader een zekere marge waarbinnen de contractsvrijheid kan spelen. Niet minder spannend is de vraag of het Nederlandse voorbeeld ook in België het debat zal heropenen over een inhoudelijke regeling van franchiseovereenkomsten. De nieuwe regels inzake onrechtmatige bedingen B2B bieden al wat koren voor die molen. Het Belgische voorbeeld werkte duidelijk aanstekelijk in Nederland. Blijkt België inmiddels immuun?


Voor meer informatie kunt u de auteurs Dave Mertens en Sophie Deckers contacteren.