Nieuwe uitvoeringsregels overheidsopdrachten – deel 3: leidend ambtenaar, onderaannemers en arbeidskrachten.

Nieuwe uitvoeringsregels overheidsopdrachten – deel 3: leidend ambtenaar, onderaannemers en arbeidskrachten.

Hieronder vindt u de derde aflevering van onze reeks m.b.t. de invoering van de AUR 2013 voor de overheidsopdrachten gepubliceerd vanaf 1 juli 2013. In deze bijdrage bespreken we de bepalingen omtrent de leidend ambtenaar, onderaannemers en arbeidskrachten.
 
V. Leidend ambtenaar (art. 11 AUR 2013) – (art. 1 AAV 1996) 

Volgens artikel 11 AUR 2013, dat grotendeels overeenstemt met art. 1 AAV 1996, wordt de leidend ambtenaar  door de aanbestedende overheid aangeduid bij de sluiting van de opdracht, tenzij deze informatie reeds in de opdrachtdocumenten is vermeld. Indien de leiding van en de controle op de uitvoering worden toevertrouwd aan een ambtenaar van de aanbestedende overheid, wordt elke eventuele beperking van zijn bevoegdheden aan de opdrachtnemer betekend, tenzij dit in de opdrachtdocumenten is gebeurd.
 
Indien de leiding van en de controle op de uitvoering worden toevertrouwd aan een persoon buiten de aanbestedende overheid, wordt de draagwijdte van zijn eventueel mandaat betekend aan de opdrachtnemer, tenzij dit in de opdrachtdocumenten is gebeurd.
 
Zonder deze vermelding en tot deze betekening plaatsvindt, moet ervan worden uitgegaan dat die persoon de aanbestedende overheid niet kan binden.
 
VI. Onderaannemers (art. 12, 13, 14 en 15 AUR 2013) - (art. 10, §1, §2, 13, §5 AAV – art. 6, §1, §2, §3 AUR 1996) 

In principe kan een aannemer voor de uitvoering van de hem gegunde werken steeds beroep doen op een derde naar zijn keuze, tenzij het tegendeel zou zijn overeengekomen, of tenzij de werken toevertrouwd aan de hoofdaannemer een uitdrukkelijk intuitu personae karakter zouden hebben.
 
Art. 10 § 1 AAV 1996 voorzag reeds dat de aannemer ten opzichte van de aanbestedende overheid instaat voor al de door de onderaannemers uitgevoerde werken. De aanbestedende overheid acht zich door geen enkele contractuele band met die derden verbonden. De aanbestedende overheid mag evenwel eisen dat de onderaannemers voldoen aan de wetgeving houdende regeling van de erkenning van aannemers van werken in verhouding tot het deel van de opdracht dat zij zullen uitvoeren.
 
Art. 10 § 2 AAV 1996 bevat een aantal verbodsbepalingen voor bepaalde uitgesloten natuurlijke en rechtspersonen. Het is de aannemer verboden het geheel of een gedeelte van de opdracht toe te vertrouwen:
 
- aan een aannemer, leverancier of dienstverlener die zich in een van de gevallen bevindt respectievelijk bedoeld in art. 17, 43 en 69 van het K.B. dd. 8 januari 1996, in art. 17, 39 en 60 van het K.B. dd. 10 januari 1996 alsook in art. 21, § 4 AAV 1996;
- aan een aannemer die werd uitgesloten bij toepassing van de bepalingen van de wetgeving houdende regeling van de erkenning van aannemers van werken. 

Het is de aannemer bovendien verboden deze personen te laten deelnemen aan de leiding van of aan het toezicht op het geheel of een deel van de opdracht. Elke inbreuk van dit verbod kan aanleiding geven tot de toepassing van de maatregelen van ambtswege.
 
Deze bepaling wordt in de AUR 2013 uitgebreid tot de opdrachten van leveringen en diensten. Art. 12 AUR 2013 voegt een mogelijkheid toe voor het bestuur inzake de onderaannemers. De aanbestedende overheid kan eisen dat de onderaannemers van de opdrachtnemer, in verhouding tot het deel van de opdracht dat zij zullen uitvoeren, voldoen aan de minimumeisen inzake financiële en economische draagkracht en technische en beroepsbekwaamheid die door de opdrachtdocumenten zijn opgelegd.
 
Art. 12 AUR 2013 voegt een clausule toe dat een verband legt tussen de kwalitatieve selectiefase en de uitvoering van de opdracht, meer bepaald wanneer de draagkracht van een onderaannemer in aanmerking werd genomen in de selectiefase. In dat geval is de opdrachtnemer gehouden om een beroep te doen op de onderaannemer die in aanmerking werd genomen voor de kwalitatieve selectie en mag hij geen andere onderaannemer kiezen dan mits de voorafgaande instemming van de aanbestedende overheid.
 
Deze redenering geldt ook wanneer de onderaannemer in de offerte werd geïdentificeerd overeenkomstig de eisen in de opdrachtdocumenten en wanneer de aanbestedende overheid het inzetten van bepaalde onderaannemers oplegt. Nieuw is eveneens de toevoeging waarbij de aanbestedende overheid instaat voor de financiële en economische draagkracht en de technische en beroepsbekwaamheid van onderaannemers opgelegd aan de opdrachtnemer.
 
Art. 13 AUR 2013 herneemt art. 10 § 2 AAV 1996 en stelt dat het de aannemer verboden is het geheel of een gedeelte van de opdracht toe te vertrouwen aan ondernemingen die zich in bepaalde uitsluitingsgevallen (faillissement, sociale of fiscale schulden, strafrechtelijke veroordelingen…) bevinden of uitgesloten zijn van erkenning. Elke inbreuk van dit verbod kan aanleiding geven tot de toepassing van de maatregelen van ambtswege.
 
De regels over de prijsherziening waren reeds geregeld in art. 6 AUR 1996. Overeenkomstig art. 6 AUR 1996 heeft de onderaannemer recht op de toepassing van prijsherziening wanneer de opdracht een prijsherzieningsclausule bevat. Er is daarbij een uitzondering voorzien voor opdrachten met een geringe waarde of een korte uitvoeringstermijn.
 
Deze regeling wordt behouden met een iets verschillende formulering in art. 14 AUR 2013. Een nieuwe toevoeging is dat na verzoek dienaangaande van de aanbestedende overheid de opdrachtnemer die van zijn onderaannemers geen verklaring zou bekomen waarin zij bevestigen dat zij een dienovereenkomstige herziening genieten, een relevant uittreksel van het onderaannemingscontract kan overleggen. Daaruit moet blijken dat voldaan is aan de verplichtingen inzake prijsherziening van de in onderaanneming gegeven opdrachten. Eenzelfde verplichting geldt voor de onderaannemer van de onderaannemer krachtens het laatste lid van art. 15 AUR 2013.
 
VII. Arbeidskrachten (art. 16 AUR 2013) - (art. 35 AAV 1996)

Deze bepaling is grotendeels ongewijzigd gebleven en stelt dat de aanbestedende overheid van de opdrachtnemer kan verlangen dat hij onmiddellijk alle personeelsleden vervangt die de goede uitvoering van de opdracht in het gedrang brengen wegens hun onbekwaamheid, hun slechte wil of hun algemeen gekend wangedrag.