Getrouwheid na de scheiding ? – verplichtingen van een ex-bestuurder.

Getrouwheid na de scheiding ? – verplichtingen van een ex-bestuurder.

Wie een vennootschap overneemt, dringt doorgaans aan op een niet-concurrentiebeding. De koper wil daarmee vermijden dat de vennootschap na de overname, af te rekenen krijgt met concurrentie van haar voormalige eigenaar(s). De positie van de koper zonder dergelijk beding werd recent nog scherp gesteld in een arrest van het Hof van Cassatie (25 juni 2020). Concreet sprak het Hof zich uit over de niet-concurrentieverplichting van een verkoper, die ook (feitelijk) bestuurder van de vennootschap was geweest. Dit arrest onderstreept het belang van een niet-concurrentiebeding voor een koper.

Het wordt algemeen aanvaard dat elke vennootschapsbestuurder een niet-concurrentieplicht heeft. Dat houdt niet alleen in dat hij geen bestuursmandaat in een concurrerende vennootschap mag uitoefenen (functie-concurrentie) maar ook dat hij zijn aansprakelijkheid in het gedrang brengt door tegelijk op een andere manier actief te zijn in een concurrerende vennootschap (activiteitenconcurrentie). Het is de duur van die verplichting die recent ter discussie stond.

  • Klassiek werd aangenomen dat elke niet-concurrentieplicht een einde neemt bij het einde van het bestuursmandaat.
  • In een arrest van 2017 aanvaardde het hof van beroep te Antwerpen daarentegen "een zekere nawerking" van de niet-concurrentieplicht. In het arrest werden een ex-zaakvoerder (rechtspersoon) en zijn vaste vertegenwoordiger onderworpen aan een "concurrentieverbod op grond van de goede trouw begroot op 12 maanden na [het einde van zijn mandaat]". De goede trouw van de bestuurder tegenover de vennootschap werd daarbij in de weegschaal gelegd tegenover de vrijheid van ondernemen van de bestuurder. De potentiële gevolgen van deze logica zijn verregaand. De vrijheid van de ex-bestuurder kan dan worden beperkt hoewel hij zich niet uitdrukkelijk verbonden heeft (bv. koop-verkoop aandelen), maar ook waar wilsovereenstemming niet aan de orde is (bv. faillissement).

Het is dit arrest van het hof van beroep van Antwerpen dat nu verbroken is. Het Hof van Cassatie benadrukte de vrijheid van ondernemen. Die vrijheid wordt volgens het Hof maar in twee gevallen beperkt voor ex-bestuurders: als er sprake is van een expliciete (niet-concurrentie)verbintenis of als er sprake is van oneerlijke mededinging. Te denken is aan misbruik van bedrijfsgeheimen (bv. klantenbestanden). Buiten die twee gevallen staat het de ex-bestuurder vrij de vennootschap te beconcurreren. Met deze beslissing bevestigt het Hof de klassieke opvatting dat de niet-concurrentieplicht van bestuurders uitdooft bij hun ontslag. In diezelfde logica is er evenmin plaats voor een impliciet concurrentieverbod na faillissement, bv. ten aanzien van de curatele of koper van het handelsfonds.

Deze uitspraak onderstreept het belang van een degelijk concurrentiebeding. Daarover kan worden verwezen naar twee eerdere princieparresten van het Hof van Cassatie uit 2015 over de matiging van niet-concurrentiebedingen met een te lange duur en of een te ruime draagwijdte. Dit niet alleen om een koper te beschermen in het kader van een overdracht van de vennootschap, maar bijvoorbeeld ook om de vennootschap te beschermen tegen externe bestuurders of zelfstandige dienstverleners die actief betrokken zijn bij de activiteiten van de vennootschap.

Schoups wisselt hierover graag van gedachten met u en adviseert u graag verder.