De exceptie van niet-nakoming (ENAC): een schild, geen zwaard

De exceptie van niet-nakoming (ENAC): een schild, geen zwaard

Het Hof van Cassatie oordeelde recent in het nadeel van de bouwheer die van het hof van beroep de toelating had gekregen om een factuur van de aannemer definitief niet te betalen wegens de foutieve uitvoering van werken.

De exceptie van niet-nakoming, oftewel exceptio non adimpleti contractus (ENAC), is een drukkingsmiddel dat in een wederkerige overeenkomst kan gehanteerd worden tegen de partij die haar verbintenissen niet nakomt. Op grond van deze exceptie kan de benadeelde contractspartij, zonder tussenkomst van een rechter, de nakoming van haar eigen verbintenissen opschorten met de bedoeling de wederpartij ertoe aan te zetten de overeenkomst uit te voeren.

De exceptie van niet-nakoming is gebaseerd op artikel 1184 BW. Dit artikel geeft de benadeelde partij de optie om ofwel de wederpartij te noodzaken de overeenkomst uit te voeren ofwel de ontbinding te vorderen in rechte. Het is een exceptie van aanvullend recht, wat betekent dat ze contractueel kan worden uitgesloten of aan voorwaarden verbonden.

In de rechtspraak werden verschillende criteria ontwikkeld waaraan de toepassing van de exceptie van niet-nakoming moet voldoen. Zo moet er, onder meer, voldoende samenhang bestaan tussen de opgeschorte verbintenis en de verbintenis waarvan de niet-nakoming wordt aangevoerd en moet er een wanprestatie bestaan die toerekenbaar is aan de wederpartij. Bovendien moet de exceptie te goeder trouw worden opgeworpen en kan ze slechts het opschorten van de eigen verbintenis teweegbrengen. De exceptie van niet-nakoming mag de nakoming niet definitief onmogelijk maken.

Bij deze laatste voorwaarde wrong het schoentje in het arrest van het hof van beroep te Gent van 5 oktober 2018 dat door het Hof van Cassatie werd verbroken op 24 oktober 2019. Het Hof van Cassatie legt in haar arrest de nadruk op de tijdelijke aard van de exceptie en oordeelt als volgt:

“2. Krachtens artikel 1184, tweede lid, Burgerlijk Wetboek heeft de partij jegens wie de verbintenis niet is uitgevoerd de keuze om ofwel de andere partij te noodzaken de overeenkomst uit te voeren, ofwel de ontbinding van de overeenkomst te vorderen met schadevergoeding.

3. De exceptio non adimpleti contractus is niet meer dan een tijdelijke exceptie die de partij de mogelijkheid geeft de uitvoering van de eigen verbintenissen op te schorten tot op het ogenblik dat de medecontractant haar verbintenissen uitvoert of aanbiedt uit te voeren.

4. De appelrechter oordeelt dat de eiseres een foutieve uitvoering van de werken kan worden verweten, dat de verweerster derhalve terecht een beroep op de exceptie van niet-uitvoering heeft gedaan en dat de verweerster bijgevolg de openstaande factuur niet verschuldigd is. De appelrechter wijst vervolgens de vordering van de eiseres af als ontvankelijk, maar ongegrond.

De appelrechter die aldus aan de exceptio non adimpleti contractus het karakter van een definitieve exceptie geeft, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht.

Het onderdeel is gegrond.”

Bovenstaande uitspraak bevestigt dat de exceptie van niet-uitvoering een tijdelijk schild is voor de benadeelde partij, maar niet als zwaard kan gehanteerd worden om de doodsteek te geven aan een wederkerig contract. Om definitief de eigen verbintenissen op te schorten wegens wanprestatie van de wederpartij moet de ontbinding van de overeenkomst in rechte worden gevorderd en moet aan de voorwaarden tot ontbinding worden voldaan (namelijk een ernstige wanprestatie).

Om de exceptie van niet-nakoming in te roepen moet er geen sprake zijn van een ernstige wanprestatie. Deze exceptie kan bij elke wanprestatie van de wederpartij worden ingeroepen op voorwaarde dat de opschorting van de eigen verbintenissen proportioneel blijft aan de wanprestatie.

Met vragen over dit topic kan u terecht bij Claire Buggenhoudt (de auteur en legal knowledge manager) en Siegfried Busscher (celhoofd privaat bouwrecht).