Raad van state versoepelt vereiste van het actueel belang

Raad van state versoepelt vereiste van het actueel belang

In een arrest van 15 januari 2019 verduidelijkte de algemene vergadering Raad van State dat een verzoekende partij niet steeds eenvoudigweg diens belang bij de vernietiging van bestreden beslissing op het moment van de uitspraak van de Raad van State kan ontzegd worden, wanneer het verlies van dat belang lopende de procedure niet aan hem persoonlijk verwijtbaar is. De Raad van State versoepelt daarmee haar eerdere visie inzake het ‘actueel belang’ en sluit zich alzo aan bij de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, die de Raad van State op de vingers hadden getikt voor haar te formalistische benadering van deze vereiste.

De verzoekende partij die een beroep tot schorsing of nietigverklaring van een beslissing indient bij de Raad van State, dient steeds te beschikken over een belang bij de vernietiging van de bestreden beslissing. In de eerste plaats dient de bestreden beslissing hem een persoonlijk, rechtstreeks, zeker actueel en wettig nadeel toe te brengen. Daarnaast moet de schorsing of nietigverklaring van de bestreden beslissing hem een direct en persoonlijk voordeel verschaffen.

Volgens de traditionele rechtspraak van de Raad van State diende niet alleen aan deze voorwaarden voldaan te zijn bij het indienen van het beroep bij de Raad van State, maar moest de verzoekende partij ook nog over dit belang beschikken op het moment van de uitspraak. Indien dat niet langer het geval was, achtte de Raad van State het belang niet langer “actueel”. 

Deze formalistische en restrictieve benadering werd reeds bekritiseerd door het Grondwettelijk Hof en recenter ook door het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, dat er in een arrest van 17 juli 2018 op wees dat het verlies van het belang lopende de procedure niet steeds aan de rechtszoekende verweten kan worden. Volgens het Hof was de strenge rechtspraak van de Raad van State dienaangaande in sommige gevallen dan ook in strijd met het recht op toegang tot de rechter vervat in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.

In het arrest van 15 januari 2019 boog de algemene vergadering van de Raad van State zich opnieuw over dit vraagstuk. In deze zaak had de vader van een leerling een beroep tot nietigverklaring ingediend tegen de beslissing om een vestiging van de stedelijke basisschool waar zijn zoon school liep, te sluiten. Als lid van de schoolraad beschikte de vader bij het indienen van het beroep over het vereiste belang. Op het moment van de uitspraak beschikte de vader evenwel niet meer over de hoedanigheid van lid van de schoolraad, nu hij zijn zoon omwille van de sluiting van de vestiging had ingeschreven in een andere school.

Onder verwijzing naar het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens oordeelde de Raad van State dat het ontzeggen van een belang aan de vader in de gegeven concrete omstandigheden op onevenredige wijze afbreuk zou doen aan zijn recht op toegang tot de rechter, zoals gewaarborgd in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Immers was hij de hoedanigheid van lid van de schoolraad niet uit vrije wil verloren, maar omwille van de sluiting van de vestiging van de school, hetgeen precies de beslissing was die hij voor de Raad van State bestreed. Het verlies van de hoedanigheid was aldus niet een gevolg van een handeling die hij zelf stelde of naliet te stellen en was hem niet persoonlijk verwijtbaar. De Raad van State gaf daarbij ook aan dat het niet van de vader verwacht mocht worden dat hij, tegen zijn eigen pedagogische keuzes in, zijn zoon op een andere vestigingsplaats van dezelfde school zou inschrijven enkel en alleen om zijn hoedanigheid als lid van de schoolraad te bewaren. De Raad van State oordeelde dan ook dat de vader nog steeds belang had bij de vernietiging van de bestreden beslissing.

Het strikt genomen verlies van het belang in de loop van de procedure verhindert dus niet langer automatisch de vernietiging van de bestreden beslissing, zij het onder de voorwaarde dat dit verlies niet het gevolg is van een handeling die de verzoekende partij zelf stelde of naliet te stellen en hem niet persoonlijk verwijtbaar is.

Voor meer informatie kan u terecht bij Kris Lemmens, Jan De Leyn en Cédric Vandekeybus.