Leveren van stortklaar beton wordt “werk" in de zin van art. 30 bis

Leveren van stortklaar beton wordt “werk" in de zin van art. 30 bis

Op aannemers van onroerende werken gelden enkele specifieke sociaalrechtelijke verplichtingen die vanaf 1 april 2019 worden uitgebreid.

Voorafgaand aan de start van werken in onroerende staat moet de hoofdaannemer deze werken melden aan de overheid (de “aangifte van werken” of ook wel de “30bis-melding” genoemd, naar het artikel uit de RSZ-wet).

Deze meldingsplicht geldt voor werven vanaf 30.000,00 EUR (zonder btw) ongeacht of er onderaannemers tussenkomen of niet, en voor werven van 5.000,00 EUR tot 30.000,00 EUR met één of meer onderaannemers, maar niet voor werven onder de 5.000,00 EUR waarop geen of maar één onderaannemer zou werken.

Daarenboven geldt een inhoudingsplicht voor de aannemer die beroep doet op een onderaannemer met sociale of fiscale schulden van 35% resp. 15%, door te storten aan de betrokken overheid (RSZ resp. FOD Financiën).

Wanneer de onderaannemer reeds sociale schulden heeft op het ogenblik van de contractsluiting, geldt er ook een hoofdelijke aansprakelijkheid tussen hoofdaannemer, onderaannemer en professionele bouwheer voor dergelijke schulden.

Het toepassingsgebied van deze verplichtingen wordt vanaf 1 april 2019 uitgebreid naar “de levering van stortklaar beton”. (1) Voor deze term zal de wet verwijzen naar “de betonbereiding in daartoe speciaal uitgeruste centrales en/of de levering van beton aan de verbruikers” zoals voorzien in het bevoegdheidsgebied van het Paritair Comité nr. 124 voor het bouwbedrijf.

Hiermee zou een einde moeten komen aan de onduidelijkheid of de verplichtingen uit art. 30 bis toegepast moeten worden op de levering ter plaatse van stortklaar beton. Tot voorheen waren deze verplichtingen alleen van toepassing op "werken in onroerende staat", zijnde het bouwen, verbouwen, afwerken, inrichten, herstellen, onderhouden, reinigen en afbreken van een (deel van het) onroerend goed; levering van een roerend goed dat door plaatsing onroerend uit zijn aard wordt; de levering met plaatsing van een aantal bouwgerelateerde zaken zoals centrale verwarming, elektriciteit, etc. De vraag was of ook het ter plaatse komen storten van beton (in containers, in bekisting, in een sleuf, …) gold als “werken in onroerende staat”.

De onduidelijkheid werd onder meer veroorzaakt door de verbintenisrechtelijke kwalificatie van de levering van stortklaar beton als een overeenkomst van koopverkoop en niet van aanneming van werk. Hierop bestonden wel uitzonderingen, bijvoorbeeld indien de levering gepaard gaat met het ter plaatste verwerken van het stortklaar beton op een wijze die het louter (gericht of aangepast) storten overstijgt. De concrete feiten, de wil van de partijen en de uitvoering gegeven aan de overeenkomst, gaven de doorslag bij de kwalificatie van de overeenkomst. Er bestond echter afwijkende rechtspraak, o.a. ter bescherming van een “onderaannemer” die van zijn voorrecht gebruik wenste te maken.

Deze kwalificatie op verbintenisrechtelijk vlak stond los van het toepassingsgebied van de sociaalrechtelijke verplichtingen.

De wetgever is niet zover gegaan om het leveren van stortklaar beton als een "werk in onroerende staat" te beschouwen, maar vanaf 1 april 2019 zullen de aangifte van werken, de inhoudingsplicht en de hoofdelijke aansprakelijkheid nu ook uitdrukkelijk van toepassing zijn op het leveren van stortklaar beton. Deze kwalificatie heeft ook gevolgen op andere verplichtingen, zoals bijvoorbeeld de verplichte aanwezigheidsregistratie op bouwwerven.

Voor meer informatie over dit onderwerp kan u Sara Cockx (celhoofd Arbeidsrecht) en Siegfried Busscher (celhoofd Privaat Bouwrecht) contacteren.

(1) Art. 45 en 74 van de Wet van 21 december 2018 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken, die art. 30bis van de wet van 27 juni 1969