Frauduleuze A1-formulieren: na het ALTUN-arrest, nu ook het antwoord van het Hof van Cassatie

Frauduleuze A1-formulieren: na het ALTUN-arrest, nu ook het antwoord van het Hof van Cassatie

Met zijn arrest van 19 juni 2018 [1] weeft het Hof van Cassatie een (voorlopig) sluitstuk aan de discussie rond het buitenbeschouwing laten van A1-formulieren bij detacheringsfraude. Het Hof doet dit na inwinning van het prejudicieel advies van het Hof van Justitie, gegeven in het spraakmakende arrest ALTUN. [2] Zie voor meer informatie onze eerdere nieuwsbrief over dit arrest.

Met een A1-formulier wordt het bewijs geleverd dat een gedetacheerde EU-werknemer onderworpen is aan de sociale zekerheid in zijn thuisland. Deze formulieren worden afgegeven door de zendstaat van de gedetacheerde werknemer en binden dan ook de overige lidstaten, met name de ontvangststaat.

Bij twijfel omtrent de geldigheid van het formulier of de juistheid van de feiten die eraan ten grondslag liggen, moet een Europese procedure worden gevolgd: de ontvangststaat moet de sociale zekerheidsinstelling van de uitzendstaat verzoeken om opheldering of om intrekking van het formulier. Deze buitenlandse instelling dient detacheringsvoorwaarden te controleren en, indien nodig, de A1 verklaring in te trekken. Worden de betrokken autoriteiten het niet eens, dan kan het geschil voorgelegd worden aan de Administratieve Commissie.  

De vraag die hierbij rees en ook aan de grondslag ligt van het arrest van 19 juni 2018 is de volgende: kunnen A1-formulieren door de ontvangststaat terzijde worden geschoven in geval van detacheringsfraude?  

Voor een goed begrip worden hieronder kort de feiten en de procedurele voorgaanden van het arrest geschetst.

De zaak betreft een strafprocedure tegen een Belgisch bouwbedrijf. Uit het strafonderzoek was gebleken dat dit bedrijf beroep deed op Bulgaarse onderaannemers, die nagenoeg niets anders deden dan werknemers vanuit Bulgarije detacheren. Deze werknemers waren in het bezit van een geldig formulier E101 (momenteel A1), zodat zij onderworpen bleven aan de Bulgaarse sociale zekerheidsbijdragen. Bijgevolg rees de vraag of deze Bulgaarse onderaannemers niet louter dekmantels waren om de Belgische sociale zekerheidswetgeving te omzeilen.

De rechter in eerste aanleg ging over tot de vrijspraak oordelend – in lijn met de rechtspraak van het Europese Hof van Justitie op dat moment – dat de A1-formulieren niet ingetrokken werden door Bulgarije en bijgevolg niet terzijde konden geschoven worden. In hoger beroep volgde wel een veroordeling, op grond dat de rechters de formulieren door hun frauduleuze verkrijging niet bindend achtten. Tegen deze uitspraak werd een voorziening in Cassatie ingesteld. Het Hof van Cassatie legde de vraag op zijn beurt voor aan het Hof van Justitie.

Het Hof van Justitie antwoordde in het ALTUN-arrest voor het eerst bevestigend op de mogelijkheid voor de nationale rechter om A1-formulieren terzijde te schuiven. Dit op grond van het algemeen beginsel van Unierecht dat fraude en misbruik van recht verbiedt (Fraus omnia corrumpit). Er worden wel de volgende voorwaarden aan gekoppeld:

  1. de bevoegde instantie in de ontvangststaat (in België de RSZ) moet aan de bevoegde instantie in de uitzendstaat (in dit geval de Bulgaarse sociale zekerheidsinstelling) een verzoek richten om de afgeleverde A1-formulieren te heroverwegen en in te trekken;
  2. het verzoek van de ontvangststaat moet gebaseerd zijn op concrete feiten uit een gerechtelijk onderzoek die wijzen op detacheringsfraude;
  3. de bevoegde instantie in de uitzendstaat (in dit geval de Bulgaarse sociale zekerheidsinstelling) moet het verzoek van de ontvangststaat geweigerd hebben of niet binnen een redelijke termijn beantwoord hebben, zodat de A1-formulieren niet werden ingetrokken.

Na dit Altun arrest moest het Hof van Cassatie de voormelde principes toepassen op de zaak van de in België werkende Bulgaarse onderaannemers.

Het Hof oordeelt dat de A1 formulieren door de rechters in hoger beroep geweerd werden in overeenstemming met de voorwaarden uit het Altun arrest. De inspectiediensten hadden zonder succes de Europese procedure gevolgd en er waren objectieve bewijzen van de detacheringsfraude.

Het cassatieberoep werd bijgevolg afgewezen, zodat voor de betrokken gedetacheerde Bulgaarse werknemers Belgische sociale zekerheidsbijdragen verschuldigd zijn.  

Het belang van deze rechtspraak mag niet onderschat worden. Waar de Belgische RSZ voorheen aangewezen was op de goodwill van de zendstaten, biedt de mogelijkheid tot buitenbeschouwing laten van frauduleuze A1 formulieren belangrijke handvaten aan de inspectiediensten in de strijd tegen detacheringsfraude en sociale dumping. 

Voor meer informatie over dit onderwerp kan u Sara Cockx (auteur) contacteren.

[1] Cass. 19 juni 2018, AR P.17.1252.N.

[2] HvJ 6 februari 2018, nr. C-359/16, ECLI:EU:C:2018:63, ‘Altun’.