Hervorming van het ondernemingsrecht op kruissnelheid. De ‘kooplieden’ zijn weldra voltooid verleden tijd.

Hervorming van het ondernemingsrecht op kruissnelheid. De ‘kooplieden’ zijn weldra voltooid verleden tijd.

Het ondernemingsrecht is volop in beweging. Op 1 januari 2018 trad de nieuwe Pandwet eindelijk in werking (incl. Nationaal Pandregister). Vanaf 1 mei 2018 is het de beurt aan de nieuwe Insolventiewet (Boek XX WER). Begin 2018 lanceerde de regering een ontwerp van Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen. De voorontwerpen tot aanpassing van het Burgerlijk Wetboek m.b.t. het zakenrecht, het verbintenissenrecht en het bewijsrecht zijn inmiddels beschikbaar.

In het kader van deze hervormingen, werd op 7 december 2017 het “Wetsontwerp houdende hervorming van het ondernemingsrecht” aan het Parlement voorgelegd. De krachtlijnen ervan zijn de volgende.

Een eerste krachtlijn bestaat uit de verdere ontmanteling van het Wetboek van Koophandel. Daarbij gaat het in hoofdzaak om de regels met betrekking tot :

1) de wisselbrief en het orderbriefje, de protesten en de cheque. Deze worden toegevoegd aan Boek VII WER (‘Betalings- en kredietdiensten’) onder een nieuwe Titel 6/1 (‘Waardepapieren’);
2) de vervoerovereenkomst; Deze vinden een plaats achteraan Boek X WER, na de veelal dwingende bepalingen inzake handelsagentuur, commerciële samenwerking (franchising) en verkoopconcessies;
3) bewijs door en tegen ‘ondernemingen’ (nieuw art. 1348bis BW).

Er zijn weinig inhoudelijke wijzigingen. Enkel het bewijsrecht wordt wat bijgestuurd. Zo geldt een aanvaarde factuur niet enkel meer als bewijs voor een koop-verkoop; zij geldt voor allerlei overeenkomsten. Na deze ontmanteling krijgt het Wetboek van Koophandel een ander opschrift: “Wetboek voor de zeevaart, binnenvaart en houdende diverse bepalingen”.

Een tweede krachtlijn bestaat erin dat het ondernemingsbegrip wordt herzien. Met de nieuwe Insolventiewet werd een bijzonder ruim ondernemingsbegrip geïntroduceerd. Dit begrip wordt nu het algemeen geldende, en dit zowel voor het WER als voor het Burgerlijk Wetboek en Gerechtelijk Wetboek. Het klassieke handelaarsbegrip, dat al veel aan belang had ingeboet, verdwijnt nu ook formeel uit de rechtsorde. In die lijn wordt ook het onderscheid tussen de handelsvennootschap en de burgerlijke vennootschap afgeschaft (art. 2 W.Venn.).

De nieuwe definitie gebruikt meer formele in plaats van materiële criteria. De volgende drie categorieën worden daarbij als onderneming gekwalificeerd:

1) iedere natuurlijke persoon die zelfstandig een beroepsactiviteit uitoefent, met inbegrip dus van de beoefenaars van een vrij beroep;
2) iedere rechtspersoon, ongeacht haar statutaire of feitelijke activiteit; Wel worden bepaalde publiekrechtelijke entiteiten (bv. Federale Staat) uitgesloten, evenals “iedere publiekrechtelijke rechtspersoon die geen goederen of diensten aanbiedt op een markt.”;
3) iedere andere organisatie zonder rechtspersoonlijkheid, tenzij die geen uitkeringsoogmerk heeft en ook in feite geen uitkeringen verricht. Concreet betekent dit dus dat maatschappen en andere vennootschappen zonder rechtspersoonlijkheid wel onder het toepassingsgebied ressorteren, maar de zgn. feitelijke verenigingen niet.

Het ene en het andere zou de rechtszekerheid moeten verhogen. De toekomst zal dit uitwijzen. De Raad van State merkte al op dat het begrip ‘beroepsactiviteit’ nergens wordt gedefinieerd. Daarnaast kunnen verenigingen waarbij er in feite toch verdoken uitkeringen gebeuren alsnog als onderneming worden gekwalificeerd. Tot eenvormigheid komt het alleszins niet. Voor belangrijke onderdelen blijft het bestaande aanknopingspunt (economische activiteit). Dit geldt m.n. voor Boek IV (‘Bescherming van de mededinging’) en Boek VI (‘Marktpraktijken en consumentenbescherming’). Voor een aantal andere onderdelen is het ondernemingsbegrip niet relevant (bv. Boek X) of wordt daarnaast nog steeds gebruik gemaakt van eigen begrippen (bv. ‘geregistreerde entiteit’, ‘inschrijvingsplichtige’, resp. ‘boekhoudplichtige onderneming’ – Boek III). De Wet Betalingsachterstand van 2 augustus 2002 hanteert nog een ander ondernemingsbegrip.

Een derde krachtlijn betreft de hervorming van de Kruispuntbank van Ondernemingen en houdt onder meer een verruimde inschrijvingsplicht in voor vennootschappen zonder rechtspersoonlijkheid.

Een vierde krachtlijn heeft betrekking op de hervorming van de rechtbank van koophandel. De materiële bevoegdheid van deze rechtbank voor ‘handelaars’ was al eerder uitgebreid naar (geschillen tussen) ‘ondernemingen’. Dit worden nu ondernemingen in de verruimde betekenis. Als sluitstuk van deze evolutie wordt de naam van deze rechtbank gewijzigd in “ondernemingsrechtbank”. Hieruit volgen een aantal terminologische wijzigingen in het Gerechtelijk Wetboek en in het WER.

Tot slot is er de opheffing van Boek XIV WER (“Marktpraktijken en consumentenbescherming betreffende beoefenaars van een vrij beroep”) en de corresponderende handhavingsbepalingen uit Boek XV en XVII WER. Wel worden enkele elementen overgeheveld en behouden, bijv. inzake de vrijwaring van het beroepsgeheim. Voor het overige wijken de zgn. specifieke bepalingen voor de vrijeberoepsbeoefenaars inhoudelijk niet af van de algemeen geldende. De praktische impact van de opheffing ervan is dan ook verwaarloosbaar.

Voor meer informatie over dit specifieke onderwerp kunt u Dave Mertens (auteur) en Gwen Bevers (celhoofd) raadplegen.