De wetgever wil slapende vennootschappen opruimen

De wetgever wil slapende vennootschappen opruimen

Naar schatting van de minister van Justitie bestonden er in 2013 140.000 zogenaamde slapende vennootschappen. De wetgever stelt vast dat slapende vennootschappen verkocht worden voor prijzen van 4.000 à 5.000 EUR. De koper van dergelijke vennootschap vermijdt de controle van het ondernemingsloket met betrekking tot de wettelijke oprichtingsvereisten. De wetgever vreest dat schuldeisers en afnemers van de vennootschap alsook concurrenten die wel aan de vereisten voldoen, daarvan het slachtoffer worden. Daarnaast streven malafide ondernemers met dergelijke aankoop anonimiteit na.

Om deze situatie te genezen en in de toekomst te voorkomen, heeft de wetgever de procedure voor gerechtelijke ontbinding van vennootschappen uitgebreid in een wet van 17 mei 2017.

Voorheen kon de rechtbank de gerechtelijke ontbinding pas uitspreken indien een vennootschap gedurende drie opeenvolgende jaren geen jaarrekening had neergelegd, op vordering van het Openbaar Ministerie. Vanaf 17 juni 2017 breidde de wetgever de gevallen uit waarin de gerechtelijke ontbinding kan worden uitgesproken en kan ook de kamer voor handelsonderzoeken de gerechtelijke ontbinding vorderen.

De opvallendste wijziging bestaat erin dat een vennootschap vanaf die datum gerechtelijk ontbonden kan worden indien zij haar jaarrekening niet heeft neergelegd binnen een periode van zeven maanden na het afsluiten van haar boekjaar – in de praktijk is de termijn waarna de rechtbank de gerechtelijke ontbinding kan uitspreken dus ingekort met drie jaar. Uiteraard zal die ontbinding niet automatisch worden uitgesproken na die termijn, die overigens ook een minimumtermijn is. Daarnaast is één van de uitgangspunten van de nieuwe wet dat de vennootschap steeds de kans moet krijgen om haar situatie te regulariseren.

Een andere belangwekkende wijziging bestaat erin dat een vennootschap zal kunnen worden ontbonden indien haar bestuurders of zaakvoerders niet kunnen bewijzen over de fundamentele beheersvaardigheden of over de vereiste beroepsbekwaamheid te beschikken. Deze bewoordingen zijn gebaseerd op de programmawet van 10 februari 1998 tot bevordering van het zelfstandig ondernemerschap, waarin bepaald wordt wat onder "beheersvaardigheden" en "beroepsbekwaamheid" wordt begrepen.

De wet bepaalt nu ook uitdrukkelijk dat het Openbaar Ministerie de ontbinding zal kunnen vorderen van vennootschappen waarvan het netto-actief beneden het minimumkapitaal is gedaald. Dit is een bevestiging van bestaande rechtspraak van het Hof van Cassatie. Aan de kamer voor handelsonderzoek werd deze bevoegdheid niet toegekend.  

Ten slotte wordt aan de zaakvoerders en bestuurders de plicht opgelegd mee te werken met de vereffenaar. Bij gebreke aan medewerking is de (strenge) sanctie een beroepsverbod, die evenwel enkel zal worden opgelegd indien de bestuurder of zaakvoerder moedwillig niet meewerkt met de vereffenaar.

Vroeger konden vennootschappen rustig inslapen. Met deze wetswijziging wil de wetgever dit voorkomen. De ontbindingssanctie is afschrikwekkend. Hoe vaak deze in de praktijk zal worden toegepast, is koffiedik kijken.

Voor meer informatie over dit onderwerp, kan u Sophie Deckers (auteur) en Gwen Bevers (celhoofd) contacteren.