En vergeef ons onze schulden …. tegen 6 maanden intrest. Einde van de rit voor het zgn. "funding loss"?

En vergeef ons onze schulden …. tegen 6 maanden intrest. Einde van de rit voor het zgn. "funding loss"?

In zijn arrest van 24 november 2016 sprak het Hof van Cassatie zich uit over "funding loss", een vergoeding die kredietverstrekkers doorgaans aanrekenen bij het vervroegd beëindigen van een kredietovereenkomst.

Het Belgische Burgerlijk Wetboek bepaalt sedert 1934 dat kredietverstrekkers maximaal een vergoeding voor wederbelegging van zes maanden interest kunnen eisen in geval de kredietnemer een lening op interest vervroegd terugbetaalt en dus in feite de leningsovereenkomst opzegt (art. 1907bis BW). Dit overigens onverminderd meer specifieke regels, bv. inzake hypothecaire kredieten aan consumenten.

Intussen zijn er twee gebruikelijke “achterpoortjes” ontstaan om deze grens te omzeilen.

  • Enerzijds nemen de kredietovereenkomsten een andere vorm aan dan een lening op interest, zoals een kredietopening. Bij een kredietopening stelt de kredietverstrekker een bepaald bedrag ter beschikking aan de kredietnemer, die dit bedrag op elk moment geheel of gedeeltelijk kan opnemen. Op een vaste datum dient het volledige bedrag te worden terugbetaald. De kredietnemer betaalt de bank een vergoeding voor het ter beschikking houden van de geldsom. De opzegging van de kredietopening zou niet onderworpen zijn aan de grens uit het Burgerlijk Wetboek, dat het immers uitdrukkelijk enkel heeft over leningen op interest.
  • Anderzijds kan de kredietovereenkomst de mogelijkheid tot vervroegde terugbetaling simpelweg uitsluiten. Wanneer de kredietnemer dan toch vervroegd wenst terug te betalen, staat de kredietverstrekker dit vaak toe mits vergoeding. Deze vergoeding wordt "funding loss" genoemd. Deze vergoeding is niet wettelijk geregeld, zodat de kredietverstrekker in principe vrij is in het bepalen van het bedrag ervan.

De wetgever kwam tegen deze praktijk al eerder op. In een eerdere nieuwsbrief beschreven wij de wet van 21 december 2013 inzake de financiering voor kleine en middelgrote ondernemingen. Indien enkele voorwaarden voldaan zijn, bepaalt deze wet immers dat:

  • de wederbeleggingsvergoeding maximaal zes maanden interest bedraagt voor alle kredietovereenkomsten (en niet enkel voor leningen op interest); en
  • vervroegde terugbetaling altijd mogelijk is (ook al sluit de overeenkomst dit recht uit).

Deze wet is echter enkel toepasselijk wanneer de kredietnemer een KMO is en de kredietovereenkomst werd aangegaan na 10 januari 2014 voor een kredietbedrag onder het miljoen. Een KMO is voor het doel van deze wet een onderneming die twee van de volgende drempels níét overschrijdt: i) jaargemiddelde van het personeelsbestand: 50; ii) jaaromzet (excl. BTW): 9.000.000 EUR; en iii) balanstotaal: 4.500.000 EUR. Dit zijn de recent verhoogde criteria uit het wetboek van vennootschappen (zie hierover ook onze eerdere nieuwsbrief).

Met voormeld arrest lijkt het Hof van Cassatie het tweede achterpoortje nu ook volledig te sluiten voor de kredietovereenkomsten die niet binnen het toepassingsgebied van deze wet vallen.

Dit arrest betrof een investeringskrediet met uitsluiting van vervroegde terugbetaling. De kredietnemer wenste desalniettemin vervroegd terug te betalen. De kredietverstrekker (KBC) stemde hiermee in, op voorwaarde dat een wederbeleggingsvergoeding zou worden betaald.

Het hof van beroep stelde dat, ondanks de gebruikte bewoording ("wederbeleggingsvergoeding" en niet "funding loss" of een andere naam), het niet ging om een wederbeleggingsvergoeding zoals bepaald in het Burgerlijk Wetboek, zodat de grens van zes maanden interest niet van toepassing was. Immers zou de vergoeding niet enkel een schadevergoeding uitmaken voor het geleden verlies doch ook een vergoeding zijn voor de afstand die KBC doet van haar contractuele rechten, die haar zouden toestaan de overeenkomst verder te zetten.

Het Hof van Cassatie vernietigt dit arrest en bepaalt dat de uitsluiting van het recht op vervroegde terugbetaling niet impliceert dat de grens aan de vergoeding niet van toepassing zou zijn indien de kredietverstrekker toch een vergoeding vordert.

De torenhoge "funding losses" lijken aldus definitief tot het verleden te behoren. Met name voor ondernemingen met al langer lopende kredieten kan dit een sterk argument zijn om herfinanciering aan meer gunstige voorwaarden te bekomen.

Het Hof laat evenwel in het midden of de kredietverstrekkers de vervroegde terugbetaling dan wel zonder meer mogen weigeren. Indien zij dit mogen, stelt zich de vraag of kredietverstrekkers nog bereid zullen zijn de vervroegde terugbetaling toe te staan wanneer de kredietovereenkomst dit recht uitsluit en zij hiervoor geen vergoeding hoger dan zes maanden interest kunnen aanrekenen. Alleszins zou deze houding eventueel kunnen worden bestreden met de theorie van het rechtsmisbruik, bijvoorbeeld omdat de veroorzaakte schade aan de kredietnemer door de weigering niet in verhouding staat tot het voordeel dat de kredietverstrekker verkrijgt door de terugbetaling te weigeren.

Naast deze vraag, kan ook een ander voorbehoud gemaakt worden. Het Hof van Cassatie heeft zich immers niet uitdrukkelijk uitgesproken over de toepassing van artikel 1907bis BW op “kredietopeningen”. Daar was in dit geval ook geen aanleiding toe. Laat dit nu echter een frequent voorkomende vorm van kredietverstrekking aan ondernemingen zijn. Wordt ongetwijfeld vervolgd…

Voor meer informatie over dit specifieke onderwerp, kan u Sophie Deckers en Dave Mertens (auteurs) en Gwen Bevers (celhoofd) raadplegen.