Wijziging regels (her)verzekeraars m.b.t. technische voorzieningen (Solvabiliteit II)

Wijziging regels (her)verzekeraars m.b.t. technische voorzieningen (Solvabiliteit II)

Enkele regels voor de jaarrekeningen van (her)verzekeraars werden gewijzigd met de recente wijziging van het Koninklijk Besluit van 17 november 1994 (hierna “KB Jaarrekening”).[1]

Deze hervorming kadert in de vervanging van de "prudentiële" regels van het Solvabiliteit I-stelsel door de regels van het Solvabiliteit II-stelsel[2] , na de inwerkingtreding van de Wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen, die zorgt voor de omzetting van deze richtlijn.

Voor de waardering van de technische voorzieningen werden voor de verzekeringsondernemingen (en herverzekeraars) de bepalingen van het KB Jaarrekening aangevuld met prudentiële regels die van kracht waren onder het Solvabiliteit I-stelsel. Deze prudentiële regels van Solvabiliteit I worden thans vervangen door de regels van Solvabiliteit II.

Met de toepassing van het Solvabiliteit II-stelsel, wordt toch besloten om voor wat betreft de waarderingsregels die van toepassing zijn voor de jaarrekening van de Belgische (her)verzekeraars, op boekhoudkundig niveau de situatie te behouden die van kracht was onder Solvabiliteit I. Het wijzigingsbesluit neemt aldus in het KB Jaarrekening bepaalde prudentiële regels van Solvabiliteit I m.b.t. de berekening van de technische voorzieningen op. Om het evenwicht tussen activa en passiva te waarborgen, werd ook voorgesteld om voor de jaarrekening niet te eisen dat de waardering van de passiva geschiedt volgens de benadering van Solvabiliteit II. Dit zou erin bestaan om alle activa en passiva te beoordelen tegen reële waarde. Daarentegen worden de beginselen gehandhaafd die van kracht waren vóór de omzetting van Solvabiliteit II.

De belangrijkste wijziging is de invoering in het boekhoudkundig kader van de prudentiële bepalingen van Solvabiliteit I m.b.t. de technische voorzieningen, inzonderheid de "aanvullende" voorzieningen ("knipperlichtvoorzieningen"). In het kader van Solvabiliteit I hielden deze bepalingen voor de verzekeringsondernemingen de verplichting in om aanvullende voorzieningen aan te leggen op statutair niveau, teneinde het renterisico te dekken dat zij voor bepaalde types overeenkomsten lopen. Ingevolge een aanbeveling van de toezichthouder werden deze voorzieningen bovendien opgenomen in de statutaire jaarrekening. Voorzichtigheidshalve en omwille van de continuïteit, is het volgens de regering van essentieel belang dat bepaald wordt dat de aanvullende voorzieningen die onder Solvabiliteit I zijn aangelegd, niet alleen in de statutaire rekeningen gehandhaafd blijven bij de overgang naar Solvabiliteit II, maar dat zij ook daarna aangevuld blijven worden zolang het renterisico blijft bestaan.

Het Solvabiliteit II-kader voorziet ook in specifieke vereisten inzake reglementair eigen vermogen voor de dekking van het renterisico. Daardoor kunnen de ondernemingen die voldoen aan de eigenvermogensvereisten onder Solvabiliteit II, vrijgesteld worden van de verplichting tot jaarlijkse dotatie aan de aanvullende voorziening. De Nationale Bank van België moet voorafgaandelijk toestemming verlenen voor een vrijstelling, die hierbij ook rekening zal moeten houden met de macro-economische situatie, de ontwikkeling van de markten, de financiële positie van de betrokken onderneming, en diens solvabiliteit en resultaten. Ze dient bij dit onderzoek toe te zien op een gelijke behandeling van ondernemingen die zich in vergelijkbare omstandigheden bevinden. De onderneming die de vrijstelling geniet, wordt wel niet toegelaten om afhoudingen te verrichten op de aanvullende voorziening die reeds gevormd is op het ogenblik dat zij deze vrijstelling verkrijgt.

Wanneer de solvabiliteit het toelaat, zou het bijkomend ook mogelijk moeten zijn om toe te laten dat alle of een deel van de samengestelde voorzieningen in bepaalde gevallen van overdracht van verzekeringsportefeuilles (waarop de voorziening betrekking heeft), worden teruggenomen onder bepaalde voorwaarden en, in bepaalde gevallen, mits de Nationale Bank daarmee instemt. Deze verschillende gevallen zouden uitzonderlijk moeten blijven. Deze overdrachten zijn deze die plaatsvinden in het kader van herstructureringen van vennootschappen, zoals een fusie, of in het kader van overdracht van een portefeuille aan een derde.

Voor de terugneming van voorzieningen in geval van herstructurering zou evenwel de voorafgaande toestemming van de Nationale Bank zijn vereist en zouden er specifiekere voorwaarden moeten gelden. De Nationale Bank zal aldus haar toestemming eveneens kunnen weigeren indien ze meent dat de overdracht van voorzieningen naar de reserve de financiële positie, de solvabiliteit of de resultaten van de onderneming in gevaar dreigen te brengen. Om te garanderen dat de solvabiliteit van de onderneming in stand wordt gehouden, wordt de teruggenomen voorziening in geval van herstructurering niet aan de uitkeerbare winst van de onderneming toegevoegd, maar daarentegen onmiddellijk toegewezen aan het boekhoudkundig eigen vermogen. Om de onaantastbaarheid van de aldus overgedragen bedragen te versterken, zouden deze bedragen aan een adhoc-reserve moeten worden toegewezen, waar ze minstens 10 jaar zouden moeten worden aangehouden en onbeschikbaar zouden zijn voor ander gebruik.

Nadat de onderneming aanvullende voorzieningen naar de onbeschikbare reserve heeft overgedragen, moet de onderneming opnieuw een aanvullende voorziening doteren volgens de regels van het wijzigingsbesluit. Voor de berekening van de jaarlijkse dotatie aan deze (nieuwe) aanvullende voorziening, kan evenwel rekening worden gehouden met het bedrag dat naar de onbeschikbare reserve is overgedragen. Concreet zal de onderneming jaarlijks het totale bedrag moeten berekenen van de aanvullende voorziening, maar zal zij de aanvullende voorziening slechts moeten doteren ten belope van het verschil tussen het vereiste totale bedrag en het bedrag dat voordien werd overgedragen naar de onbeschikbare reserve (tenzij zij voldoet aan de voorwaarden om vrijgesteld te worden), en dit volgens een ritme van 10 % per jaar.

De ondernemingen die de voornoemde vrijstellingen of toestemmingen hebben verkregen, moeten dit vermelden in de toelichting bij de jaarrekening. Deze vrijstellingen en toestemmingen zijn in elk geval beperkt tot de aanvullende voorzieningen waarop de beslissing van de Nationale Bank betrekking heeft. Deze vrijstellingen en toestemmingen ontheffen de onderneming dus niet van haar verplichting om voldoende technische voorzieningen aan te leggen krachtens het Boekhoudbesluit van 30 januari 2001.

Deze nieuwe regelgeving is van toepassing op de boekjaren die ingaan vanaf 1 januari 2016.

[1] KB 1 juni 2016 tot wijziging van het koninklijk besluit van 17 november 1994 op de jaarrekening van de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen, BS 17 juni 2016.

[2] Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II).

Voor meer info over dit specifieke onderwerp, kunt u Siegfried Busscher (het celhoofd en medeauteur) raadplegen, die voor deze nieuwsbrief werd bijgestaan door de heer Mathieu Pauwels die in juli 2016 bij Schoups een zomerstage heeft gelopen.