Gedeeltelijke vernietiging nieuwe Verzekeringswet m.b.t. verplichtingen tussenpersonen

Gedeeltelijke vernietiging nieuwe Verzekeringswet m.b.t. verplichtingen tussenpersonen

Met de nieuwe Verzekeringswet van 4 april 2014 (1) bekrachtigde en introduceerde de wetgever ook bepaalde nieuwe informatieverplichtingen en gedragsregels voor verzekeringstussenpersonen (Hoofdstuk IV van deel 6 over de verzekeringsbemiddeling en de distributie). Een van de oogmerken van deze wetswijziging was de implementatie van de (consumentgerichte) bepalingen van de richtlijn Solvabiliteit II (2).

De Beroepsvereniging voor verzekeringstussenpersonen FEPRABEL (Fédération des Courtiers d'Assurances et Intermédiaires Financiers de Belgique) en makelaar A. Van Ingelgem & Fils verzochten bij het Grondwettelijk Hof de vernietiging van enkele van deze bepalingen van de nieuwe Verzekeringswet. Met sommige bepalingen werden gedragsregels  van de bank- en financiële sector onvoldoende (of ten onrechte) toegepast op de verzekeringsbemiddeling. Ook het tijdstip van de inwerkingtreding werd aangeklaagd.

Het Grondwettelijk Hof is hier gedeeltelijk op ingegaan en vernietigt enkele bepalingen uit de nieuwe Verzekeringswet m.b.t. verzekeringsbemiddeling (link arrest: http://www.const-court.be/public/n/2016/2016-089n.pdf).

De wetgever had met de nieuwe Verzekeringswet artikel 4, 4° van het KB Niveau 1, bekrachtigd (art. 350 Verzekeringswet) dat de toepassing van artikel 27, § 6, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten uitsluit voor de verzekeringstussenpersonen en de verzekeringsondernemingen. Dit artikel betreft informatie- en beoordelingsverplichtingen (de "passendheidstest") bij beleggingsdiensten en staat een « execution order only » toe dat het mogelijk maakt om af te wijken van deze passendheidstest. FEPRABEL en de makelaar wezen erop dat verschillende beleggingsproducten echter zowel door verzekeringstussenpersonen als door beleggingsondernemingen kunnen worden gedistribueerd.

Het Grondwettelijk Hof stelt vast dat noch de voorbereidende werkzaamheden van dit bekrachtigd KB, noch de parlementaire voorbereiding van de Verzekeringswet dat het KB bekrachtigt, noch de Ministerraad in de procedure, duidelijk de redenen weergeeft die de niet-toepassing op de dienstverleners inzake verzekeringen van de betrokken art. 27, § 6 van de wet van 2 augustus 2002, nl. de mogelijkheid om ervan af te wijken, zouden kunnen rechtvaardigen, rekening houdend met het doel van de wetgever dat erin bestaat een "level playing field" in te voeren. Artikel 350 van de nieuwe Verzekeringswet dient bijgevolg volgens het Hof te worden vernietigd in zoverre het artikel 4, 4°, van het KB Niveau 1 bekrachtigt (B.9.3.4 en B.9.3.5).

Daarenboven werd met de nieuwe Verzekeringswet ook art. 27, § 3, van de wet van 2 augustus 2002 aangepast aan de verzekeringssector om de cliënten van deze sector passende informatie te verstrekken. Het Hof stelt vast dat deze wijziging de dienstverleners niet verplicht om aan de cliënten meteen alle aangeboden verzekeringsovereenkomsten of de spaar- of beleggingsverzekeringen en de voorgestelde spaar- of beleggingsstrategieën mee te delen, maar om informatie te verstrekken over de soorten diensten die passend zouden kunnen zijn, zodat die cliënten redelijkerwijs in staat zijn de aard van de aangeboden verzekeringsbemiddelingsdienst en van de specifiek aangeboden verzekeringsovereenkomst te begrijpen, alsook, met betrekking tot de spaar- of beleggingsverzekeringen, de daaraan verbonden risico's te begrijpen en derhalve met kennis van zaken te beslissen om al dan niet een bepaald type verzekeringsovereenkomst te sluiten. Die informatie mag in gestandaardiseerde vorm worden verstrekt. Het Hof beklemtoont hierbij dat deze bepaling de verzekeringssector geen onevenredige verplichting zou opleggen, opnieuw rekening houdend met het doel van de wetgever, namelijk de invoering van een "level playing field". In deze interpretatie vindt het Hof de betrokken bepaling niet discriminatoir (B.9.4.4 en B.9.4.5).

Vervolgens wezen de verzoekende partijen erop dat de wijze waarop artikel 27, § 11 van de wet van 2 augustus 2002 wordt toegepast op de bank- en financiële sector, toelaat om cliënten te categoriseren naargelang zij als « niet-professionele » of « professionele cliënten » kunnen worden omschreven. De aanpassing voor de specificiteit van de sector van de verzekeringsbemiddeling gebeurt door de schrapping van de uitdrukkelijke verwijzing naar een categorisatie van het cliënteel voor de verzekeringstussenpersonen en de verzekeringsondernemingen. Hierdoor zou de bestreden bepaling van de nieuwe Verzekeringswet volgens de verzoekende partijen het toepassingsgebied van de MiFID-gedragsregels, zoals aanvankelijk daarin was voorzien bij artikel 27 van de wet van 2 augustus 2002, uitbreiden, zonder dat dit gerechtvaardigd zou zijn door de specificiteit van de sector van de verzekeringsbemiddeling en van de verzekeringssector. De bestreden bepaling zou op die manier aan de verzekeringstussenpersonen onevenredige verplichtingen opleggen tegenover cliënten die de nodige ervaring, kennis en deskundigheid bezitten om zelf verzekeringsbeslissingen te nemen en de door hen gelopen risico’s adequaat in te schatten. Bovendien zou zij op die manier een discriminatie creëren tussen de kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, enerzijds, en de verzekeringstussenpersonen en verzekeringsondernemingen, anderzijds (B.9.5.1).

Het Hof volgt de verzoekers: er is opnieuw geen rechtvaardiging voor dit onderscheid. Aangezien het doel van de wetgever erin bestaat een "level playing field" in te voeren tussen de banken en de verzekeringsondernemingen en -tussenpersonen door de gedragsregels die aan de financiële sector zijn opgelegd, uit te breiden tot de verzekeringssector en ze aan te passen aan de verzekeringssector, is het zonder redelijke verantwoording dat het aan de Koning niet wordt toegestaan om voor de verzekeringssector verschillende regels te bepalen naargelang het gaat om professionele of niet-professionele cliënten, terwijl de federale regering dat wel mag doen voor de financiële sector. Die maatregel reikt volgens het Hof verder dan het nagestreefde doel. Artikel 350 van de nieuwe Verzekeringswet dient te worden vernietigd in zoverre het artikel 4, 10°, van het KB Niveau 1 bekrachtigt in zoverre dat artikel de Koning niet toestaat verschillende regels te bepalen naargelang het gaat om professionele of niet-professionele cliënten (B.9.5.5 en B.9.5.6).

Met betrekking tot de aansprakelijkheid van verzekeringsagenten volgt het Grondwettelijk Hof de verzoekende partijen niet. Ze vroegen het Hof de bestaanbaarheid van de nieuwe bepaling over aansprakelijkheid (art. 279 van de nieuwe  Verzekeringswet) en het bekrachtigde KB nr. 3 na te gaan in zoverre deze bepalingen de aansprakelijkheid van de verzekeringsondernemingen uitdrukkelijk zouden beperken tot elke handeling of elk verzuim van hun verbonden verzekeringsagenten in zoverre die handeling of dat verzuim betrekking heeft op de gedragsregels als bedoeld in artikel 279, § 1, van de nieuwe Verzekeringswet, dat preciseert dat ook de verbonden verzekeringsagent verantwoordelijk blijft als er sprake is van een kennelijke tekortkoming, terwijl verzekeringsagenten en verzekeringsmakelaars die samenwerken met verzekeringssubagenten volledig en onvoorwaardelijk verantwoordelijk zouden blijven voor elke handeling of elk verzuim van die verzekeringssubagenten die voor hun rekening optreden, en die verzekeringssubagenten niet verantwoordelijk zijn voor hun kennelijke tekortkomingen (B.10.3).

Het Hof stelde echter vast dat de wetgever met de bestreden bepalingen specifiek de verzekeringsondernemingen die samenwerken met verbonden verzekeringsagenten heeft beoogd en die ondernemingen verantwoordelijk heeft gemaakt voor een coherente uitvoering van de gedragsregels, aangezien de verbonden agenten namens en voor rekening van die ondernemingen optreden en verplicht zijn de procedures te volgen die de onderneming heeft ingevoerd met het oog op de naleving van de gedragsregels. Die aansprakelijkheidsregeling doet volgens het Hof geen afbreuk aan de gemeenrechtelijke aansprakelijkheidsregeling en stelt de verbonden verzekeringsagent niet vrij van de verplichting tot naleving van de gedragsregels. Paragraaf 1 van de bestreden bepalingen legt uitdrukkelijk de aansprakelijkheid vast van de verbonden agenten die een kennelijke tekortkoming begaan. Paragraaf 2 van de bestreden bepalingen voorziet niet in een specifieke bepaling om de naleving van de gedragsregels in de verhouding met de verzekeringssubagenten te verzekeren, maar herinnert aan de aansprakelijkheidsregeling die eigen is aan de relatie tussen de verzekeringsagenten en makelaars die met verzekeringssubagenten samenwerken. Met de bestreden bepalingen heeft de wetgever volgens het Hof dus de aansprakelijkheidsregeling van de verbonden agenten en die aansprakelijkheidsregeling samengebracht. Het feit dat paragraaf 2 van de bestreden bepalingen niet uitdrukkelijk de regel heeft overgenomen volgens welke "ook de [verzekeringssubagent] verantwoordelijk [blijft] als er sprake is van een kennelijke tekortkoming", belet volgens het Hof niet dat de gemeenrechtelijke regels inzake aansprakelijkheid worden toegepast. Het doel van de bepalingen bestaat niet erin het beroep van de cliënt tegen de verzekeringssubagent of de verbonden verzekeringsagent af te schaffen, maar voor hem een bijkomend beroep mogelijk te maken tegen de verzekeringstussenpersoon of de verzekeringsonderneming. De wetgever was dus niet verplicht om uitdrukkelijk te herinneren aan de regel van de persoonlijke aansprakelijkheid van de verzekeringssubagent overeenkomstig het gemeen recht (B.10.6).

De verzoekers voerden ook aan dat de inwerkingtreding van de nieuwe Verzekeringswet vanaf 1 november 2014, een discriminatie inhield t.o.v. de periode van aanpassing aan de MiFID-regels die werd toegekend aan de kredietinstellingen en de beleggingsondernemingen die langer was (op zijn minst een jaar en drie maanden). Ze klaagden aan dat de inwerkingtreding van de nieuwe Verzekeringswet vanaf 1 november 2014, het voor de verzekeringstussenpersonen niet mogelijk maakte om zich naar behoren voor te bereiden op hun nieuwe verplichtingen. Het Hof verwees naar haar arrest nr. 86/2015 waarbij ze o.a. de inwerkingtreding van de invoeging van boek VI "Marktpraktijken en consumentenbescherming" in het Wetboek van economisch recht en de invoeging van de definities en de rechtshandhavingsbepalingen eigen aan dit boek en aan de boeken I en XV, had vernietigd. Het Hof besluit dat om de verzekeringstussenpersonen in staat te stellen zich aan te passen aan de gedragsregels die volgen uit de KB's en de bekrachtigingswet, de inwerkingtreding van de nieuwe Verzekeringswet dient te worden vernietigd in zoverre het artikel 277, 273, § 3, en 279 van deze wet in werking doet treden op een datum die 1 mei 2015 voorafgaat (B.11.4.4 en B.11.5).

Het Hof vernietigt aldus:
- art. 350 van de nieuwe Verzekeringswet in zoverre het de volgende bepalingen bekrachtigt: art. 4, 4° van het KB van 21 februari 2014 over de regels voor de toepassing van de artikelen 27 tot 28bis van de wet van 2 augustus 2002 op de verzekeringssector, evenals art. 4, 10° van datzelfde KB in zoverre het de Koning niet toestaat verschillende regels te bepalen naargelang het gaat om professionele of niet-professionele cliënten;
- artikel 352 van de nieuwe Verzekeringswet in zoverre het de artikelen 273, § 3, 277 en 279 in werking doet treden vóór 1 mei 2015; evenals in zoverre dit ook artikel 350 in werking doet treden vóór 1 mei 2015, in zoverre dit artikel nieuwe gedragsregels bekrachtigt die zijn vervat in de KB's van 21 februari 2014

Voor meer info over dit specifieke onderwerp, kunt u Siegfried Busscher (celhoofd verzekeringsrecht en auteur) raadplegen.


(1) Wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen, BS 30 april 2014
(2) Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf