ICC lanceert nieuwe initiatieven om arbitrageprocedures transparanter en efficiënter te laten verlopen

ICC lanceert nieuwe initiatieven om arbitrageprocedures transparanter en efficiënter te laten verlopen

Begin dit jaar kondigde het Arbitragehof bij de Internationale Kamer van Koophandel (ICC) te Parijs twee nieuwe maatregelen aan om de transparantie en de efficiëntie van arbitrageprocedures te verhogen. Beide maatregelen zijn van toepassing op procedures die na 1 januari 2016 bij het ICC worden ingeleid.

Ten eerste zullen voortaan de namen van de arbiters, hun nationaliteit, de wijze waarop zij worden aangesteld (door partijen of door het Arbitragehof bij het ICC) en of zij als voorzitter zetelen, op de website van het ICC worden gepubliceerd. Die informatie blijft ook nadat de procedure is beëindigd beschikbaar. Hiermee beoogt het ICC transparantie te creëren omtrent wie er in de praktijk (geregeld) als arbiter wordt aangesteld. Aangezien het vertrouwelijk karakter traditioneel als één van de grote voordelen van arbitrage wordt beschouwd, zal het rolnummer van de zaak, de namen van de betrokken partijen en van hun raadslieden (uiteraard) niet worden gepubliceerd.  Partijen kunnen er bovendien voor kiezen om de openbaarmaking van de identiteit van de arbiters uit te sluiten.

Daarnaast zal het ICC, om arbitrageprocedures sneller en efficiënter te laten verlopen, de erelonen van de arbiters voortaan kunnen verminderen indien zij te laat uitspraak doen.  Concreet worden de arbiters verwacht om hun uitspraak binnen de drie maanden na de laatste pleitzitting of de indiening van de laatste conclusie bij het Arbitragehof van het ICC in te dienen (voor de alleenzetelend arbiter bedraagt deze termijn slechts twee maanden).  Wordt deze termijn niet gerespecteerd, dan kunnen de erelonen van de arbiters, afhankelijk van de duur van de vertraging, met 5 tot zelfs meer dan 20 procent worden verminderd.  Op deze regel bestaat weliswaar één belangrijke uitzondering. Deze sanctie is niet van toepassing indien de vertraging wordt gerechtvaardigd door onvoorziene omstandigheden die niet aan de arbiters zijn te wijten. Te denken valt bijvoorbeeld aan de situatie waarbij partijen de arbiters zelf om uitstel vragen, aangezien zij wensen te onderhandelen over een eventuele minnelijke regeling.

Beide maatregelen zijn toe te juichen, als is het koffiedik kijken of hun toepassing niet te veel zal worden uitgehold door de uitzonderingen die telkens zijn voorzien. De toekomst zal dit moeten uitwijzen. Daarnaast is het uitkijken of deze initiatieven navolging zullen krijgen van andere arbitrage-instellingen (zoals het Belgische CEPANI).

Voor meer informatie, kan u Joost Bats (auteur) en Geert De Buyzer (auteur en celhoofd) raadplegen.