Het Hof van Justitie verduidelijkt wanneer een minimumloon kan opgelegd worden als bijzondere voorwaarde waaronder een overheidsopdracht wordt uitgevoerd

Het Hof van Justitie verduidelijkt wanneer een minimumloon kan opgelegd worden als bijzondere voorwaarde waaronder een overheidsopdracht wordt uitgevoerd

In het arrest RegioPost[1] van 17 november 2015 oordeelde het Europese Hof van Justitie (hierna "HvJ") dat een aanbestedende overheid de vereiste van een minimumloon mocht opleggen als bijzondere voorwaarde van de uitvoering van een overheidsopdracht.

In de zaak die aan het hoger vermelde arrest ten grondslag ligt, had de aanbestedende overheid (de Duitse stad Landau) in de opdrachtdocumenten van een overheidsopdracht van postdiensten verwezen naar het recht van de deelstaat Rijnland-Palts. De verwijzing betrof specifiek een wet op grond waarvan overheidsopdrachten uitsluitend mochten gegund worden aan ondernemingen (en onderaannemers) die zich bij de indiening van hun offerte verbonden om een minimumloon van 8,70 EUR / uur te betalen aan het personeel dat de opdracht effectief zou uitvoeren.

Volgens het HvJ was de verplichting opgelegd door de deelstaat Rijnland-Palts (en de verwijzing hiernaar door de stad Landau) waarbij inschrijvers verplicht zijn om een minimumloon te betalen toelaatbaar, aangezien ze dient te worden beschouwd als een bijzondere voorwaarde van de uitvoering van een overheidsopdracht die verband houdt met sociale overwegingen in de zin van art. 26 van Richtlijn 2004/18.

Het HvJ verduidelijkte in RegioPost waarom ze de nationale maatregel in de zaak RegioPost aanvaardde, maar de gelijkaardige sociale maatregel in de zaak Rüffert niet. In deze laatste zaak oordeelde het HvJ op 3 april 2008 dat de deelname van inschrijvers aan een overheidsopdracht niet afhankelijk kon worden gesteld van een verklaring van betaling van een minimumloon vastgesteld bij een collectieve arbeidsovereenkomst.

Het HvJ differentieert op twee punten tussen de zaken RegioPost en Rüffert[2]:

  1. De verplichting in RegioPost is verenigbaar met richtlijn 96/71[3] betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers, aangezien zij voortvloeit uit een wettelijke bepaling. Daarentegen was de collectieve arbeidsovereenkomst in Rüffert niet algemeen verbindend verklaard bij een wetgevende maatregel en aldus niet verenigbaar met richtlijn 96/71.
  2. Hoewel de vereiste van een minimumloon voor buitenlandse inschrijvers een economische last kan zijn die hen verhindert of belemmert om aan een buitenlandse overheidsopdracht deel te nemen, is de nationale maatregel in RegioPost gerechtvaardigd cf. artikel 56 VWEU door het doel werknemers te beschermen. Dit was in Rüffert niet het geval, aangezien de collectieve arbeidsovereenkomst enkel van toepassing was op de bouwsector, niet gold voor particuliere opdrachten en niet algemeen verbindend was verklaard.

Het arrest RegioPost biedt o.i. belangrijke verduidelijking van hoe en in welke mate duurzaamheidsoverwegingen (in casu sociale eisen) kunnen spelen in de uitvoeringswaarden van een overheidsopdracht.

Voor meer info over dit specifieke onderwerp, kan u Jan de Leyn (auteur) en Kris Lemmens (celhoofd Overheidsopdrachten en PPS) raadplegen.

[1] HvJ 17 november 2015, nr. C-115/14, ECLI:EU:C:2015:760, http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/HTML/?uri=CELEX:62014CJ0115&from=EN.

[2] HvJ 3 april 2008, nr. C-346/06, ECLI:EU:2008:189.

[3] Richtlijn 96/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1996 betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten, Pb.L. nr. L 018 van 21/01/1997, 1-6.