Wetgever sleutelt verder aan B2B-contracten: maximale betalingstermijnen tussen kmo’s en niet-kmo’s aangescherpt.

Wetgever sleutelt verder aan B2B-contracten: maximale betalingstermijnen tussen kmo’s en niet-kmo’s aangescherpt.

In een eerdere nieuwsbrief informeerden wij al over de hervorming van het Wetboek van Economisch Recht (Boek IV en VI) wat betreft onrechtmatige bedingen en (andere) marktpraktijken in een B2B-context. Inmiddels werd de Wet van 4 april 2019 gepubliceerd (BS 24 mei 2019). De nieuwe regeling inzake onrechtmatige marktpraktijken tussen ondernemingen trad al in werking op 1 september 2019. Het verbod op misbruik van economische afhankelijkheid volgt op 1 juni 2020 en is meteen van toepassing op bestaande rechtsverhoudingen. Ondernemingen wordt iets meer tijd gegund om zich te confirmeren aan de nieuwe bepalingen inzake onrechtmatige bedingen. Deze treden in werking vanaf 1 december 2020 en zijn bovendien niet van toepassing op overeenkomsten die ‘lopen op die datum’.

Voormelde hervorming past in een bredere tendens om de principiële contractsvrijheid tussen ondernemingen te nuanceren en ‘misbruiken’ tegen te gaan. Zowel op Europees als op nationaal niveau is er het besef dat een onverkorte toepassing van de regel pacta sunt servanda (ook) in B2B-relaties niet altijd gewenst (efficiënt) is. Die tendens naar meer bescherming geldt dan vooral (maar niet uitsluitend) ten gunste van kleinere ondernemingen. Inderdaad is het onderscheid tussen ‘handelaar’ (thans: ‘onderneming’) en ‘consument’ eerder gradueel. Dit wordt mooi geïllustreerd op de Belgische werkvloeren waar werknemers en zelfstandige ‘consultants’ niet zelden letterlijk naast elkaar werken.

Een goed voorbeeld van deze bredere tendens is de zgn. Richtlijn Betalingsachterstand (2011/7/EU), zoals in België omgezet middels de Wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties. Deze richtlijn wil m.n. kmo’s beschermen. Die bescherming bestaat dan uit maximale betalingstermijnen, verwijlintresten en vergoeding van invorderingskosten. Daarnaast kent de Richtlijn specifieke bepalingen inzake onrechtmatige bedingen B2B (“onbillijke bedingen en praktijken”). De Richtlijn houdt overigens (slechts) minimale harmonisatie in. Lidstaten kunnen kiezen voor een ‘aangescherpte’ regeling (art. 12.3 Richtlijn).

Op 25 april 2019 nam de Kamer hierin een volgende stap door goedkeuring van een wijziging van de Wet Betalingsachterstand ten gunste van kmo’s. Blijkens de toelichting door de indieners strekt de wijziging ertoe om, naar Nederlands voorbeeld, een einde te stellen aan enkele misbruiken en de liquiditeitspositie van de vele kmo’s die België rijk is te verbeteren. De dominante positie van grote ondernemingen zou immers veel kleinere leveranciers dwingen om een eenzijdige aanpassing van de betalingstermijn te aanvaarden. Daarnaast zou het een middel zijn in de bestrijding van structureel verlieslatende ondernemingen (“zombiebedrijven”).

Concreet wordt de maximaal toegelaten betalingstermijn beperkt tot zestig dagen, indien de schuldeiser een ‘kmo’ is en de schuldenaar niet. Elk strijdig beding wordt voor niet geschreven gehouden. Voorts wordt de controle- en verificatietermijn beperkt tot maximaal dertig dagen vanaf de datum van ontvangst van de goederen of diensten (art. 4,§1, 3°). Onder het huidige regime kunnen partijen nog een langere termijn overeengekomen “mits daarbij geen sprake is van kennelijke onbillijkheid jegens de schuldeiser in de zin van artikel 7.” Dit ‘achterpoortje’ wordt thans afgesloten voor zover de schuldeiser een ‘kmo’ is. Als ‘kmo’ geldt dan een onderneming die valt binnen de criteria voor kleine vennootschappen (art. 1:24, § 1 WVV (“(...), niet meer dan één van de volgende criteria overschrijden: jaargemiddelde van het aantal werknemers: 50; jaaromzet, exclusief de belasting over de toegevoegde waarde: 9.000.000 euro; balanstotaal: 4.500.000 euro.”). Het betreft dus een groot deel van de Belgische ondernemingen en vrijwel alle eenmanszaken, vrijeberoepers en zelfstandige dienstverleners (management en consultancy).

Deze aangescherpte regeling treedt in werking zes maanden na de toekomstige bekendmaking van de wet in het Belgisch Staatsblad , en is (enkel) van toepassing op de overeenkomsten die worden ‘gesloten’ vanaf de datum van haar inwerkingtreding.

Inmiddels gingen er in het Parlement al stemmen op voor eventuele volgende stappen tijdens een volgende legislatuur. Ongetwijfeld zijn het in de eerste plaats kleine ondernemingen die in een zwakkere onderhandelingspositie zitten en een minder sterke financiële buffer hebben om te kunnen omspringen met laattijdige betalingen en/of een vuist te maken tegen grote afnemers. Niettemin speelt de problematiek ook in andere situaties, zoals in de relatie tussen (middel)grote en (zeer) grote ondernemingen. De overheid zelf geeft overigens ook niet altijd het goede voorbeeld. Wordt vervolgd?

Voor meer informatie kan u terecht bij Dave Mertens.