Handelsagentuur of nietig franchisecontract? Harde lessen uit Gent

Handelsagentuur of nietig franchisecontract? Harde lessen uit Gent

Een van de belangrijkste pijnpunten van de Wet Precontractuele Informatie is haar precieze toepassingsgebied. Helder is dat wat klassiek onder franchising wordt begrepen alleszins is gevat. Het lijdt echter evenmin twijfel dat de wet een ruimere roeping heeft. Naar Frans voorbeeld heeft men de begrippen “franchise” en “franchiseovereenkomst” bewust vermeden. Helaas liet men na te expliciteren op welke andere contractvormen de wet van toepassing zou kunnen zijn.

Het leek initieel duidelijk dat agentuurovereenkomsten (zelfstandige handelsvertegenwoordigers) alleszins niet werden getroffen. De Wet van 19 december 2005 was immers van toepassing op “commerciële samenwerkingsovereenkomsten gesloten tussen twee personen, die elk in eigen naam en voor eigen rekening werken, (…)” (art. 2). De handelsagent daarentegen treedt op “in naam en voor rekening” van zijn principaal. Een deel van de rechtsleer verwierp deze interpretatie echter. In haar advies nr. 2009/04 sloot de onder voormelde wet ingestelde Arbitragecommissie zich hierbij aan. Niettegenstaande de kritiek heeft de wetgever bij de omzetting naar het WER uiteindelijk dit advies gevolgd en de voorwaarde dat wordt opgetreden “in eigen naam en voor eigen rekening”, geschrapt. Het ene en het andere betekent dat er op heden geen twijfel meer bestaat dat de wet ook toepassing kan vinden op een (echte) handelsagentuurovereenkomst.

Helaas nam de wetgever niet de moeite om helder te duiden voor welke handelsagenten de wet dan wel (of juist: niet) bedoeld is. Enkel is duidelijk dat de wet niet van toepassing is op bank- en verzekeringsagentuur (art.X.26, lid 2 WER). Deze (rechts)onzekerheid staat in schril contrast met de draconische sancties. In geval van niet naleving kan de persoon die het recht verkrijgt, de nietigheid van de gehele overeenkomst (art.X.30, lid 1 WER), dan wel specifieke bepalingen (art.X.30, lid 2 WER) “inroepen”. De rechter heeft in dit verband geen beoordelingsvrijheid, behoudens rechtsmisbruik.

Een uitspraak van de Ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Gent, biedt een mooie illustratie van de problematiek. In casu ging het geschil over een (schriftelijke) handelsagentuurovereenkomst gesloten tussen een onafhankelijke makelaar tussen ondernemingen en energieleveranciers, als principaal, en een van haar handelsagenten voor België. Naar aanleiding van een beweerde schending van het niet-concurrentiebeding en allicht om de daarop gesteld sanctie te ontlopen, riep de agent de nietigheid van de overeenkomst in op grond van de artikelen X.27-28 WER. De principaal erkende deze bepalingen geenszins te hebben nageleefd, maar betwistte wel dat deze in dit geval toepasselijk waren.

De rechtbank oordeelde evenwel dat de voorliggende overeenkomst wel degelijk diende te worden beschouwd als commerciële samenwerkingsovereenkomst in de zin van artikel I.11,2° WER vermits de agent visitekaartjes gebruikte met de (handels)naam van de principaal, communiceerde met (potentiële) klanten via een mailadres van de principaal, de offertes en opdrachten uitgingen van de principaal “wat wijst op het gebruik door partijen van een gemeenschappelijke handelsnaam” én de overeenkomst voorzag dat de principaal alle noodzakelijke inlichtingen en documentatie zou ter beschikking stellen, hetgeen “een commerciële formule uitmaakt in de zin van ‘commerciële en technische bijstand'". Ingevolge de nietigheid zou er ook geen sprake kunnen zijn van de schending van een concurrentiebeding. Het loutere feit dat de agent de nietigheid schijnbaar opportunistisch had ingeroepen zou nog geen rechtsmisbruik uitmaken. Evenmin diende de agent de ontvangen commissies en vergoedingen terug te betalen.

Wat de vernietigbaarheid en de gevolgen daarvan betreft, ligt deze uitspraak in de lijn van de verwachtingen. Betwistbaar is wel of het verstrekken van ‘noodzakelijke inlichtingen en documentatie’ op zich al kan worden beschouwd als een commerciële formule. Voorts lijkt het eerder vanzelfsprekend dat offertes uitgaan van de principaal. In de regel bemiddelt de handelsagent slechts ten aanzien van (potentiële) klanten. Om diezelfde reden ligt het voor de hand dat de agent in zijn bemiddelingsopdracht gebruik maakt van de (handels)naam van zijn principaal; dat maakt deze naam nog niet ‘gemeenschappelijk’ in de zin van artikel I.11,2° WER.

Gelet op de blijvend onduidelijkheid en verregaande mogelijke gevolgen, is voor elke kandidaat-principaal niettemin van belang om na te gaan of de Wet Precontractuele Informatie van toepassing zou kunnen zijn en om - bij enige twijfel – de formaliteiten ervan toe te passen. Dit geldt dan vooral wanneer niet-concurrentiebedingen en andere post-contractuele verplichtingen voor deze principaal van groot belang zijn. Worden deze formaliteiten toch niet nageleefd, dan blijkt het van mogelijks doorslaggevend belang dat de handelsagent zich (louter) profileert als zelfstandige ondernemer die welbepaalde merken aanbiedt, en dus niet handelt onder het merk en/of de handelsnaam van zijn principaal.

Meer informatie over dit thema via Dave Mertens (auteur).