Het Vlaams Huurdecreet is er, inclusief regeling voor studentenhuur

Het Vlaams Huurdecreet is er, inclusief regeling voor studentenhuur

Na een lang voortraject is het Vlaams Huurdecreet op gestemd op 24 oktober 2018. Voor een overzicht van een aantal wijzigingen verwijzen wij naar onze vorige nieuwsflash hierover.

De nieuwe regels zullen op 1 januari 2019 in werking treden, maar enkel van toepassing zijn op nieuwe overeenkomsten.

Bijkomend op de hervorming van de klassieke woninghuurwetgeving, voor hoofdverblijfplaatsen, voorziet het Vlaams Huurdecreet ook voor het eerst in een afzonderlijke regeling voor huurovereenkomsten voor de huisvesting van studenten (appartementen, kamers en studio’s) (art. 53 t.e.m. 65).

Deze regeling is van toepassing op huurovereenkomsten waarbij de bewoner (niet noodzakelijk de huurder) een student is én het gehuurde goed niet de hoofdverblijfplaats is. Ook huurovereenkomsten ondertekend door bv. de ouders vallen aldus onder dit regime. Een student wordt ruim gedefinieerd en is een persoon die ingeschreven is bij een instelling die voltijds onderwijs aanbiedt.

Een aantal bepalingen die van toepassing zijn op normale woninghuurovereenkomsten worden ook van toepassing verklaard op studentenhuur (plaatsbeschrijving, leveringsplicht en onderhouds- en herstellingsverplichtingen).

Een stilzwijgende verlenging van de studentenhuurovereenkomst is niet mogelijk, zelfs indien het contract dit zou voorzien. Er is tevens voorzien in specifieke beëindigingsmechanismes, maar enkel in het voordeel van de huurder. Opzegging door de verhuurder kan niet. Zo kan de huurder de overeenkomst beëindigen vóór de inwerkingtreding, waarbij er een opzeggingsvergoeding van twee maand huur verschuldigd is als de huurovereenkomst wordt beëindigd min­der dan drie maanden voor de inwerkingtreding (en aldus geen enkele vergoeding bij een vroegere opzeg). Verder kan de huurder de huur beëindigen (i) bij de beëindiging van zijn studie of (ii) bij overlijden van één van de ouders of een andere persoon die instaat voor het onderhoud van de huurder en dit met een opzeggingstermijn van twee maanden. De huur eindigt tot slot van rechtswege door het overlijden van de huurder.

Onderhuur en huuroverdracht zijn verboden, tenzij de partijen anders overeenkomen. Wel is onderhuur en huuroverdracht in principe toegestaan als de huurder deelneemt aan een studie-uitwisse­lingsprogramma of een stage volbrengt, tenzij de verhuurder gegronde redenen heeft om zich hiertegen te verzetten.

Wat de huurprijs betreft, moet er worden voorzien in één all-in huurprijs. Alle kosten en lasten, met uitzondering van het verbruik van energie, water en telecommunicatie en de (eventuele) belasting op tweede verblijven, moeten hierin vervat zijn. Dit moet latere hoge afrekeningen wat lasten en kosten betreft vermijden. Er is wel in een overgangsregeling voorzien voor huurovereenkomsten gesloten na 1 januari 2019 die aansluitend volgen op een reeds daarvoor bestaande huurovereenkomst met dezelfde partijen. Hier is een opsplitsing tussen huur en kosten wel nog mogelijk.

Verder is er specifiek voorzien dat bij opeenvolgende huurovereenkomsten met dezelfde huurder de basishuurprijs niet hoger mag zijn dan de bij de initiële huurovereenkomst bepaalde huurprijs. Enkel indexatie is mogelijk, geen andere prijsverhogingen. Hierop is een uitzondering voorzien indien de normale huurwaarde van het goed ten gevolge van nieuwe omstandigheden, met ten minste 20%, of ten gevolge van werkzaamheden in het gehuurde goed met ten minste 10%, is gestegen. De bewijslast ligt hier bij de verhuurder.

Een eventuele huurwaarborg kan tot slot maximaal twee maanden huur bedragen. In tegenstelling tot normale woninghuur kan de waarborg hier wel op een rekening van de verhuurder worden gestort. Een waarborg in cash is niet mogelijk.

Voor meer informatie over dit onderwerp kan u Ewoud Willaert (auteur en celhoofd) contacteren.