Bouwheer kan verzekeraar van onderaannemer niet (altijd) rechtstreeks aanspreken bij schade

Bouwheer kan verzekeraar van onderaannemer niet (altijd) rechtstreeks aanspreken bij schade

Een benadeelde van een schadegeval heeft een eigen recht tegen de aansprakelijkheidsverzekeraar van de schadeverwekker (art. 150, eerste lid Verzekeringswet). Dit betekent dat de benadeelde er voor kan kiezen om (ook) een rechtstreekse vordering in te stellen tegen de verzekeraar van de aansprakelijke schadeverwekker.

In een recent arrest van 15 februari 2019  heeft het Hof van Cassatie de toepassingsvoorwaarden van dit eigen recht van de benadeelde nog eens uiteengezet en toegepast in de verhouding tussen bouwheer en onderaannemer. Het Hof bevestigt dat de benadeelde die op grond van deze bepaling een vordering instelt, niet meer of andere rechten zal kunnen laten gelden ten aanzien van de aansprakelijkheidsverzekeraar dan deze welke hij tegen de schadeverwekker zelf zou kunnen doen gelden.

In dit dossier had de bouwheer een nieuwbouwwoning laten oprichten. Zij had hiervoor beroep gedaan een studiebureau B. Deze had op haar beurt een deel van haar opdracht toevertrouwd aan studiebureau C als onderaannemer.

Nadat er schade werd vastgesteld aan de woning, heeft de bouwheer haar studiebureau (B.) gedagvaard in vergoeding van deze schade. In reactie hierop heeft studiebureau B. haar onderaannemer, studiebureau C, en diens verzekeraar (“P.”), gedagvaard in tussenkomst.

Bij arrest van 22 september 2017 heeft het hof van beroep te Gent de vordering van de bouwheer tegen studiebureau C afgewezen, omdat de bouwheer bij gebrek aan een rechtstreekse contractuele band ook geen rechtstreeks vorderingsrecht heeft ten aanzien van studiebureau-onderaannemer C. In hetzelfde arrest heeft het hof van beroep echter wel de vordering van de bouwheer tegen de aansprakelijkheidsverzekeraar van studiebureau-onderaannemer C. toegekend, omdat zij volgens het hof van beroep wel over een eigen recht beschikte tegen deze verzekeraar en de aansprakelijkheid van studiebureau C. vast stond.

Het Hof van Cassatie is deze redenering niet gevolgd en heeft het arrest van het hof van beroep verbroken.

Het Hof van Cassatie bevestigt met dit arrest haar vaste rechtspraak (zie Cass. 6 oktober 2005, VAV 2007, afl. 2, 95, noot.) dat een benadeelde die een rechtstreekse vordering instelt tegen de verzekeraar van de schadeverwekker niet meer of andere rechten kan laten gelden tegen deze verzekeraar dan hij tegen de schadeverwekker zelf kan doen gelden.

Dit betreft de relativiteit van overeenkomsten en de “quasi-immuniteit van de uitvoeringsagent”. Een onderaannemer (van de hoofdaannemer, van de architect…) en de bouwheer zijn derden ten aanzien van elkaar. Door het relativiteitsbeginsel van beide contracten kan de bouwheer de onderaannemer niet rechtstreeks contractueel aansprakelijk houden voor een wanprestatie in de uitvoering van de onderaanneming. Enkel (en uitzonderlijk) buitencontractueel kan de bouwheer de onderaannemer aanspreken. Hierbij geldt immers de quasi-immuniteit van de uitvoeringsagent. Voor zover de onderaannemer als een uitvoeringsagent van de hoofdaannemer (of van de architect) moet worden beschouwd, kan de opdrachtgever hem enkel buitencontractueel aansprakelijk houden onder de uitzonderlijke voorwaarden voor samenloop, nl. (i) indien de hem ten laste gelegde fout een tekortkoming uitmaakt niet alleen aan de contractuele verbintenis maar ook aan de algemene zorgvuldigheidsplicht, en (ii) indien deze fout schade heeft veroorzaakt andere dan die te wijten is aan de slechte uitvoering.

Door in deze zaak te oordelen dat de bouwheer geen vorderingsrecht heeft ten opzichte van het studiebureau-onderaannemer C., bij gebreke aan een rechtstreekse contractuele band, maar vervolgens de vordering van de bouwheer tegen de aansprakelijkheidsverzekeraar van het studiebureau-onderaannemer wél gegrond te verklaren omdat de aansprakelijkheid van de verzekerde onderaannemer vast staat, verantwoordt de appelrechter zijn beslissing niet naar recht volgens het Hof van Cassatie.

De benadeelde die op grond van artikel 150, eerste lid Verzekeringswet een rechtstreekse vordering wenst in te stellen tegen de aansprakelijkheidsverzekeraar van de schadeverwekker, zal dit dus maar kunnen doen wanneer deze schadeverwekker zelf aansprakelijk is voor de schade – en slechts in de mate van deze aansprakelijkheid – en de benadeelde hiervoor over een opeisbare schuldvordering beschikt tegen de schadeverwekker.

Voor meer informatie over dit specifieke onderwerp, kunt u Robbe Pelgrims (auteur), Siegfried Busscher (celhoofd Privaat Bouwrecht)  en Bob Goedemé (celhoofd Verzekeringsrecht) raadplegen.