Regeling inzake “nutteloze” gerechtskosten niet ongrondwettig

Regeling inzake “nutteloze” gerechtskosten niet ongrondwettig

Schuldeisers van onbetwiste schuldvorderingen kunnen sinds 2016 op een administratieve procedure beroep doen om de schuld in te vorderen. Het gebruik van die procedure is evenwel geen verplichting. Schuldeisers die voor een gewone gerechtelijke procedure opteren, mogen daarvoor niet gesanctioneerd worden door hen de gerechtskosten te laten dragen. Zowel het Hof van Cassatie als het Grondwettelijk Hof hebben dat principe recent bevestigd.   

Naar aanleiding van de invoering van de administratieve procedure voor de invordering van onbetwiste geldschulden (de zgn. IOS-procedure), waarbij ondernemingen hun onbetwiste en openstaande facturen buiten de rechtbank om kunnen terugvorderen, werd tevens de regeling inzake de gerechtskosten gewijzigd.

Daar waar normaal gezien de in het ongelijk gestelde partij de gerechtskosten dient te dragen, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, bepaalt het gewijzigde art. 1017 Ger.W. dat nutteloze kosten zelfs ambtshalve ten laste kunnen worden gelegd van de partij die ze foutief heeft veroorzaakt. De bedoeling van de wetgever was om alzo het gebruik van de IOS-procedure te bevorderen.

De vraag rees of het gebruik van een gewone gerechtelijke procedure in plaats van de IOS-procedure door schuldeisers van onbetwiste geldschulden op zich reeds als een fout zou worden beschouwd, waardoor dergelijke schuldeisers hun gerechtskosten niet zouden kunnen recupereren bij hun schuldenaar (ook al worden de schuldeisers in het gelijk gesteld).

Hoewel sommige rechtspraak initieel die richting leek uit te gaan, heeft het Hof van Cassatie bij arrest van 12 oktober 2017 (terecht) een andere zienswijze aangenomen. Het besliste met name dat schuldeisers van onbetwiste geldschulden niet verplicht zijn om een beroep te doen op de IOS-procedure en de mogelijkheid behouden om geldschulden via gerechtelijke weg in te vorderen. Het loutere feit dat een schuldeiser ervoor kiest om geen gebruik te maken van de IOS-procedure kan met andere woorden op zich niet als een fout worden beschouwd en volstaat dus niet om de gerechtskosten te zijnen laste te leggen.

Bij arrest van 28 juni 2018 ondersteunt het Grondwettelijk Hof die zienswijze. Het Grondwettelijk Hof oordeelde dat de regeling omtrent “nutteloze” gerechtskosten niet ongrondwettig is, in de interpretatie die daaraan door het Hof van Cassatie wordt gegeven.

Ruim twee jaar na de inwerkingtreding is de IOS-procedure een succes te noemen. De procedure is snel, eenvoudig, goedkoop en zorgt voor een vermindering van de werklast bij de rechtbanken. Toch zijn er ook een aantal belangrijke nadelen aan verbonden. Zo wordt het bedrag van de verschuldigde interesten en schadebeding wettelijk beperkt tot 10 procent van de hoofdsom, hetgeen in sommige gevallen impliceert dat de schuldeiser afstand zou moeten doen van een aanzienlijk deel van zijn schuldvordering. Bovendien is de uitvoerbare titel die in het kader van de IOS-procedure kan worden verkregen niet bekleed met gezag van gewijsde en kan een onwillige schuldenaar de tenuitvoerlegging daarvan steeds stokken in de wielen steken.

Een schuldeiser kan dus goede redenen hebben om te kiezen voor een gewone invorderingsprocedure. Dat de discussie omtrent het recupereren van de gerechtskosten nu definitief beslecht lijkt in het voordeel van die keuzevrijheid, is een goede zaak.

Voor meer info over dit onderwerp kan u steeds terecht bij Joost Bats en Geert De Buyzer (de auteurs).